FLIR Report Studio
FLIR Report Studio
| 1.3 | |
![]() |
1 Wettelijke disclaimer
1.1 Wettelijke disclaimer
1.2 Gebruiksstatistieken
1.3 Registerwijzigingen
1.4 Copyright
1.5 Kwaliteitsbewaking
2 Ter informatie voor de gebruiker
2.1 Gebruikersforums
2.2 Training
2.3 Updates documentatie
2.4 Software-updates
- Start > FLIR Systems > [Software] > Controleren op updates.
- Help > Controleren op updates.
2.5 Belangrijke opmerking m.b.t. deze handleiding
2.6 Aanvullende informatie over licenties
3 Klantenservice

3.1 Algemeen
3.2 Een vraag stellen
- Het cameramodel
- Het serienummer van de camera
- Het communicatieprotocol of de communicatiemethode tussen de camera en uw apparaat (bijvoorbeeld SD-kaartlezenr, HDMI, Ethernet, USB of FireWire)
- Het type apparaat (pc/Mac/iPhone/iPad/Android, enz.)
- De versie van programma's van FLIR Systems
- Volledige naam, publicatienummer en nummer van de herziene versie van deze handleiding
3.3 Downloads
- Firmware-updates voor uw infraroodcamera.
- Programma-updates voor uw pc/Mac-software.
- Freeware en evaluatieversies van pc/Mac-software.
- Gebruikersdocumentatie voor huidige, verouderde en historische producten.
- Werktuigbouwkundige tekeningen (in *.dxf- en *.pdf-indeling).
- Cad-gegevensmodellen (in *.stp-indeling).
- Beschrijvingen van toepassingen.
- Technische gegevensbladen.
- Productcatalogi.
4 Inleiding

- Beelden importen vanaf uw camera naar uw computer.
- Meethulpmiddelen toevoegen aan een infraroodbeeld en deze vergroten, verkleinen of verplaatsen.
- Microsoft Word- en PDF-rapporten maken voor door u gekozen beelden.
- Kopteksten, voetteksten en logo's toevoegen aan rapporten.
- Uw eigen rapportsjablonen maken.
5 Installatie
5.1 Systeemeisen
5.1.1 Besturingssysteem
- Microsoft Windows 7, 32-bits.
- Microsoft Windows 7, 64-bits.
- Microsoft Windows 8, 32-bits.
- Microsoft Windows 8, 64-bits.
- Microsoft Windows 10, 32-bits.
- Microsoft Windows 10, 64-bits.
5.1.2 Hardware
- Personal computer met een processor met twee kernen en een snelheid van 2 GHz.
- 4 GB RAM (minimaal, maar 8 GB wordt aanbevolen).
- Harde schijf van 128 GB met ten minste 15 GB vrije ruimte.
- DVD-ROM-station.
- Ondersteuning voor DirectX 9-afbeeldingen met:
- WDDM-stuurprogramma
- 128 MB grafisch geheugen (minimaal)
- Pixel Shader 2.0 in hardware
- 32 bits per pixel.
- SVGA-beeldscherm met een resolutie van 1024 × 768 of meer.
- Toegang tot internet (wellicht niet kosteloos).
- Audio-uitgang.
- Toetsenbord en muis of een compatibel aanwijsapparaat.
5.2 FLIR Report Studio installeren
5.2.1 Procedure
Volg deze procedure:
Dubbelklik op het installatiebestand flir-report-studio.exe. Hiermee start u de Setup-wizard van FLIR Report Studio.
Schakel het selectievakje I agree to the license terms and conditions in. Klik op Install. Hiermee start u de installatie van FLIR Report Studio.
Wanneer het installatieprogramma gereed is, klikt u op Close.
De installatie is nu voltooid. Start de computer opnieuw op als dit wordt gevraagd.
6 Licenties beheren
6.1 Uw licentie activeren
6.1.1 Algemeen
- FLIR Report Studio online activeren.
- FLIR Report Studio activeren via e-mail.
- FLIR Report Studio kopen en een serienummer ontvangen voor activering.
- FLIR Report Studio gratis gebruiken tijdens een evaluatieperiode.
6.1.2 Figuur
Figuur 6.1 Dialoogvenster Activering.
6.1.3 FLIR Report Studio online activeren
- Start FLIR Report Studio.
- Selecteer in het dialoogvenster voor online activering de optie Ik heb een serienummer en wens FLIR Report Studio te activeren.
- Klik op Verder.
- Voer uw serienummer, naam, bedrijf en e-mailadres in. De naam moet de naam zijn van de licentiehouder.
Figuur 6.2 Dialoogvenster voor online activering.
- Klik op Verder.
- Klik op Nu activeren!. Hierna wordt het proces voor online activering gestart.
- Wanneer het bericht Activering was succesvol wordt weergegeven, klikt u op Sluiten.U hebt FLIR Report Studio nu geactiveerd.
6.1.4 FLIR Report Studio activeren via e-mail
- Start FLIR Report Studio.
- Klik in het dialoogvenster voor online activering op Het product activeren via e-mail.
- Voer uw serienummer, naam, bedrijf en e-mailadres in. De naam moet de naam zijn van de licentiehouder.
- Klik op Vraag activeringssleutel per e-mail aan.
- Uw standaardprogramma voor e-mail wordt geopend en er wordt een niet-verzonden e-mail met licentie-informatie weergegeven.
Het hoofddoel van de e-mail is de licentie-informatie te verzenden naar het activeringscentrum.
- Klik op Volgende. Het programma wordt nu gestart en u kunt doorgaan met werken terwijl u wacht op de activeringssleutel. U ontvangt binnen 2 dagen een e-mail met de activeringssleutel.
- Wanneer u de e-mail met de activeringssleutel ontvangt, start u het programma en typt u de activeringssleutel in het tekstvak.
Zie onderstaande afbeelding.
Figuur 6.3 Dialoogvenster Activeringssleutel.
6.1.5 Activeren van FLIR Report Studio op een computer zonder internetverbinding
- Start FLIR Report Studio.
- Klik in het dialoogvenster voor online activering op Het product activeren via e-mail.
- Voer uw serienummer, naam, bedrijf en e-mailadres in. De naam moet de naam zijn van de licentiehouder.
- Klik op Vraag activeringssleutel per e-mail aan.
- Uw standaardprogramma voor e-mail wordt geopend en er wordt een niet-verzonden e-mail met licentie-informatie weergegeven.
- Kopieer de e-mail zonder de inhoud te wijzigen, naar bijvoorbeeld een USB-stick en stuur de e-mail naar [email protected] vanaf een andere computer.Het hoofddoel van de e-mail is de licentie-informatie te verzenden naar het activeringscentrum.
- Klik op Volgende. Het programma wordt nu gestart en u kunt doorgaan met werken terwijl u wacht op de activeringssleutel. U ontvangt binnen 2 dagen een e-mail met de activeringssleutel.
- Wanneer u de e-mail met de activeringssleutel ontvangt, start u het programma en typt u de activeringssleutel in het tekstvak.
Zie onderstaande afbeelding.
Figuur 6.4 Dialoogvenster Activeringssleutel.
6.2 Uw licentie overzetten
6.2.1 Algemeen
6.2.2 Figuur

Figuur 6.5 Licentieweergave (voorbeeldafbeelding).
6.2.3 Procedure
- Start FLIR Report Studio.
- Selecteer in het menu Help de optie Toon licentie-informatie. Bovenstaande licentieweergave wordt nu weergegeven.
- Klik in de licentieweergave op Licentie overdragen. Er wordt nu een dialoogvenster voor deactivering weergegeven.
- Klik in het dialoogvenster voor deactivering op Deactiveren.
- Start FLIR Report Studio op de computer waarnaar u de licentie wilt overzetten.Zodra de computer toegang heeft tot internet, wordt de licentie automatisch overgenomen.
6.3 Aanvullende softwaremodules activeren
6.3.1 Algemeen
6.3.2 Figuur

Figuur 6.6 Licentieweergave waarin beschikbare softwaremodules worden weergegeven (voorbeeld-beeld).
6.3.3 Procedure
- Download en installeer de softwaremodule. Meestal worden softwaremodules geleverd via gedrukte kraskaarten met een downloadkoppeling.
- Start FLIR Report Studio.
- Selecteer in het menu Help de optie Toon licentie-informatie. Bovenstaande licentieweergave wordt nu weergegeven.
- Selecteer de module die u hebt gekocht.
- Klik op Activeringssleutel.
- Kras op de kraskaart het vakje open om de activeringssleutel te zien.
- Typ de sleutel in het tekstveld Activeringssleutel.
- Klik op OK.De softwaremodule is nu geactiveerd.
7 Aanmelden
7.1 Algemeen
- Wanneer u zich aanmeldt, moet uw computer verbonden zijn met internet.
- Als u zich niet afmeldt, hoeft u zich niet opnieuw in te loggen om FLIR Report Studio te gebruiken.
7.2 Aanmeldingsprocedure
Volg deze procedure:
Start FLIR Report Studio.
Het venster FLIR Login and Registration wordt weergegeven:
Om in te loggen met uw bestaande FLIR-klantenondersteuningsaccount, doet u het volgende:
- Geef in het venster FLIR Login and Registration uw gebruikersnaam en wachtwoord op.
- Klik op Log In. Afhankelijk van de internetverbinding kan het enkele seconden duren voor FLIR Report Studio wordt gestart.
Ga als volgt te werk om een nieuw FLIR-klantenondersteuningsaccount te maken:
- Klik in het venster FLIR Login and Registration op Create a New Account. Hiermee opent u de pagina FLIR Customer Support Center in een webbrowser.
- Voer de vereiste informatie in en klik op Create Account.
- Geef in het venster FLIR Login and Registration uw gebruikersnaam en wachtwoord op.
- Klik op Log In. Afhankelijk van de internetverbinding kan het enkele seconden duren voor FLIR Report Studio wordt gestart.
7.3 Afmelden
Volg deze procedure:
Klik in de FLIR Report Studio-wizard op uw gebruikersnaam in de bovenste menubalk aan de rechterkant.
Klik op Log out.
Selecteer één van de volgende opties in het dialoogvenster:
- Als u zich wilt afmelden en FLIR Report Studio wilt afsluiten, klikt u op Yes. Hiermee wordt de toepassing afgesloten en gaat al uw niet-opgeslagen werk verloren.
- Als u deze bewerking wilt annuleren en wilt teruggaan naar de toepassing, klikt u op No.
8 Werkstroom
8.1 Algemeen
- Maak met uw camera uw infraroodafbeeldingen en/of digitale foto's.
- Sluit uw camera aan op uw computer met een USB-connector.
- Start de FLIR Report Studio-wizard en selecteer een rapportsjabloon.
- Importeer de beelden vanuit de camera naar de computer.
- Selecteer de beelden die u in het rapport wilt opnemen.
- Gebruik de Image Editor van FLIR Report Studio om de infraroodbeelden aan te passen, meethulpmiddelen toe te voegen enzovoort.
- U hebt de volgende opties:
- Maak een niet-radiometrisch Microsoft Word-rapport.
- Maak een radiometrisch Microsoft Word-rapport.
- Verzend het rapport naar uw klant als bijlage bij een e-mailbericht.
9 Infrarood-rapporten maken
9.1 Algemeen
9.2 Typen rapporten
- Een gecomprimeerd rapport: Dit is een rapport met de bestandsindeling *.docx dat infraroodbeelden, gekoppelde visuele beelden en resultaattabellen bevat. Het rapport kan worden bewerkt met normale Microsoft Word-functies, maar de radiometrische gegevens kunnen niet worden bewerkt.
- Een bewerkbaar rapport: Dit is een geavanceerd rapport met de bestandsindeling *.docx dat infraroodbeelden, gekoppelde visuele beelden en resultaattabellen bevat. Er kunnen basisbewerkingen op het rapport worden uitgevoerd, maar er kan ook een geavanceerde radiometrische analyse worden uitgevoerd met de FLIR Word Add-in-functies in Microsoft Word.
9.3 Schermelementen van de FLIR Report Studio-wizard
9.3.1 Sjabloonvenster
9.3.1.1 Figuur

9.3.1.2 Uitleg
- Menubalk. Zie paragraaf 9.3.3 Menubalk voor meer informatie.
- Linkerdeelvenster met sjablooncategorieën. Selecteer Alle sjablonen om alle beschikbare sjablonen in FLIR Report Studio weer te geven of selecteer een sjablooncategorie om te zoeken naar een bepaalde rapportsjabloon. Zie ook paragraaf 13.2.5 Een sjablooncategorie selecteren.
- Middelste deelvenster met rapportsjablonen.
- Knop om een nieuwe sjabloon te maken op basis van een standaardrapportsjabloon. Zie paragraaf 13.2.1 Een basisrapportsjabloon aanpassen voor meer informatie.
- Knop om een nieuwe sjabloon te maken op basis van de geselecteerde rapportsjabloon. Zie paragraaf 13.2.3 Een bestaande sjabloon wijzigen vanuit de FLIR Report Studio-wizard voor meer informatie.
- Rechterdeelvenster met een preview van de geselecteerde rapportsjabloon.
- Gebruikersnaam. Klik hierop om aanmeldingsgegevens weer te geven. Zie paragraaf 7 Aanmelden voor meer informatie.
- Knop Annuleren. Klik hierop om de FLIR Report Studio-wizard af te sluiten. De toepassing wordt gesloten en alle niet-opgeslagen gegevens gaan verloren.
- Knop Volgende. Klik hierop om door te gaan met de geselecteerde rapportsjabloon.
- Knop Bladeren naar sjabloon. Klik hierop om een sjabloon te zoeken die alleen zal worden gebruikt voor het huidige rapport.
- Knop Sjabloon importeren. Klik hierop om een nieuwe sjabloon te importeren in FLIR Report Studio.
9.3.2 Beeldvenster
9.3.2.1 Figuur

9.3.2.2 Uitleg
- Menubalk. Zie paragraaf 9.3.3 Menubalk voor meer informatie.
- Linkerdeelvenster met mappenstructuur. De mappen Favorieten en Recent zijn lokale mappen voor de FLIR Report Studio-wizard.
- Middelste deelvenster met de bestanden in de geselecteerde map.
- Rechterdeelvenster met een preview van de geselecteerde beelden.
- Gebruikersnaam. Klik hierop en selecteer Afmelden om u af te melden. Zie paragraaf 7.3 Afmelden voor meer informatie.
- Veld Rapportnaam.
- Vervolgkeuzelijst Datasectie. (Beschikbaar voor sjablonen met meerdere DATA-secties.) Gebruik de vervolgkeuzelijst om de DATA-sectie te selecteren waaraan u beelden wilt toevoegen. Selecteer Auto om automatisch beelden toe te voegen aan de DATA-secties. Daarbij wordt rekening gehouden met de opzet van de DATA-secties, wat inhoudt dat aan een DATA-sectie met een thermisch-beeldobject een thermisch beeld wordt toegevoegd en dat aan een sectie met een digitaal-beeldobject een digitale foto wordt toegevoegd. Zie ook paragraaf 13.2.4 Meerdere DATA-secties toevoegen.
- Knoppen voor het wijzigen van de volgorde en het verwijderen van beelden.
- Als u de volgorde van beelden wilt wijzigen, selecteert u een beeld en klikt u op
(Verplaats het hoofdstuk omhoog) of
(Verplaats het hoofdstuk omlaag).
- Als u een beeld uit het rapport wilt verwijderen, selecteert u het beeld en klikt u op
(Verwijder het hoofdstuk).
- Als u alle beelden uit het rapport wilt verwijderen, klikt u op
(Verwijder alle hoofdstukken).
- Als u de volgorde van beelden wilt wijzigen, selecteert u een beeld en klikt u op
- Knop Genereren. Klik op het pijltje en selecteer een van de volgende opties:
- Een bewerkbaar rapport genereren om een rapport te genereren met volledige radiometrische gegevens.
- Een gecomprimeerd rapport genereren om een gecomprimeerd rapport te genereren met 'platte' infraroodbeelden en resultaattabellen.
- Knop Vorige. Klik hierop om terug te keren naar het sjabloonvenster.
- Knop Rapporteigenschappen. Klik hierop om het dialoogvenster Rapporteigenschappen weer te geven. Zie paragraaf 9.4 Procedure, stap 10 voor meer informatie.
- Knoppen voor selecteren en toevoegen.
- Klik op
(Alle beelden in deze map selecteren) om alle beelden in het middelste deelvenster te selecteren.
- Klik op
(Geselecteerde beelden aan het rapport toevoegen) om de geselecteerde beelden in het middelste deelvenster aan het rapport toe te voegen.
Klik op(Alle beelden aan het rapport toevoegen) om alle beelden in het middelste deelvenster aan het rapport toe te voegen.
- Klik op
- Knoppen voor bestandsbeheer.
- Klik op
(Sorteren op datum) of
(Sorteren op naam) als u de sorteervolgorde van de bestanden in het middelste deelvenster wilt wijzigen.
- Klik op
(Kleine pictogrammen) om de bestanden in het middelste deelvenster weer te geven als kleine pictogrammen.
- Klik op
(Grote pictogrammen) om de bestanden in het middelste deelvenster weer te geven als grote pictogrammen.
- Klik op
- Knop Importeren. Klik hierop om beelden te importeren vanuit een camera die is aangesloten op de computer. Zie paragraaf 10 Afbeeldingen importeren vanaf de camera voor meer informatie.
9.3.3 Menubalk
9.3.3.1 Menu Bestand
- Sessie opslaan. Klik hierop om een sessie op te slaan. Zie paragraaf 9.5 Een sessie opslaan voor meer informatie.
- Sessie laden. Klik hierop om een sessie te laden. Zie paragraaf 9.5 Een sessie opslaan voor meer informatie.
- Afsluiten. Klik hierop op om de FLIR Report Studio-wizard af te sluiten. De toepassing wordt afgesloten en alle niet-opgeslagen gegevens gaan verloren.
9.3.3.2 Menu Opties
- Instellingen. Klik hierop om het dialoogvenster Opties weer te geven. Zie paragraaf 9.6 De instellingen wijzigen voor meer informatie.
9.3.3.3 Menu Help
- Documentatie. Klik hierop en selecteer Online om de meest recente Help-bestanden op het internet weer te geven of selecteer Offline om de Help-bestanden weer te geven die op uw computer zijn geïnstalleerd.
- FLIR Store. Klik hierop om naar de website van de FLIR Store te gaan.
- Ondersteuningscentrum van FLIR. Klik hierop om naar het ondersteuningscentrum van FLIR te gaan.
- Licentie-informatie. Klik hierop om de License Viewer weer te geven.
- FLIR-licentie valideren. (Ingeschakeld als u uw FLIR Report Studio licentie nog niet hebt geactiveerd.) Klik hierop om het activeringsvenster te openen. Zie paragraaf 6 Licenties beheren voor meer informatie.
- Zoeken naar updates. Klik hierop om te controleren of er software-updates zijn. Zie paragraaf 15 Software-update voor meer informatie.
- Over. Klik hierop om de huidige versie van FLIR Report Studio weer te geven.
9.4 Procedure
Volg deze procedure:
Start de FLIR Report Studio-wizard op een van de volgende manieren:
- Selecteer FLIR Report Studio in het menu Start (Start > Alle programma's > FLIR Systems > FLIR Report Studio).
- Klik op het tabblad FLIR in een Microsoft Word document op Nieuw rapport.
Selecteer in het linkerdeelvenster de optie Alle sjablonen om alle beschikbare sjablonen in FLIR Report Studio weer te geven of selecteer een sjablooncategorie om te zoeken naar een bepaalde rapportsjabloon.
Klik in het middelste deelvenster op een rapportsjabloon. In het rechterdeelvenster wordt een preview van elke pagina in de geselecteerde rapportsjabloon weergegeven.
Als u wilt doorgaan met de geselecteerde sjabloon, klikt u onder aan het venster op Volgende.
Kies in het linkerdeelvenster de map met de beelden die u in het rapport wilt opnemen. U kunt ook beelden importeren vanuit een camera die is aangesloten op de computer, door links onderaan in het venster op Importeren te klikken.
Als u beelden wilt toevoegen aan het rapport, voert u één of meer van de volgende handelingen uit:
- Klik op een beeld om het te selecteren. Houd de Ctrl-toets en/of de Shift-toets ingedrukt en klik om meerdere beelden selecteren.
Voer vervolgens een van de volgende acties uit:
- Sleep beelden naar het rechterdeelvenster.
- Klik op
(Geselecteerde beelden aan het rapport toevoegen) onderaan in het middelste deelvenster.
- Als u alle beelden uit het middelste deelvenster wilt toevoegen, klikt u onderaan in het middelste deelvenster op
(Alle beelden aan het rapport toevoegen).
- Als u alle beelden in een map wilt toevoegen, voert u een van de volgende handelingen uit:
- Sleep de map van het linkerdeelvenster naar het rechterdeelvenster.
- Klik met de rechtermuisknop op de map en selecteer Toevoegen aan rapport.
In het rechterdeelvenster kunt u het volgende doen:
- Als u de volgorde van beelden wilt wijzigen, selecteert u een beeld en klikt u op
(Verplaats het hoofdstuk omhoog) of
(Verplaats het hoofdstuk omlaag).
- Als u een beeld uit het rapport wilt verwijderen, selecteert u het beeld en klikt u op
(Verwijder het hoofdstuk).
- Als u alle beelden uit het rapport wilt verwijderen, klikt u op
(Verwijder alle hoofdstukken).
Als u een beeld wilt bewerken, voert u een van de volgende handelingen uit:
- Klik met de rechtermuisknop op het beeld en selecteer Beeld bewerken.
- Dubbelklik op het beeld.
Hiermee opent u de Image Editor van FLIR Report Studio. Zie paragraaf 11 Beelden analyseren en bewerken voor meer informatie.
Voer in het veld RAPPORTNAAM in het bovenste deel van het venster de naam van het rapport in.
Klik op de pijl van de knop Genereren onder aan het venster. Selecteer een van de volgende opties:
- Een bewerkbaar rapport genereren om een rapport te genereren met volledige radiometrische gegevens.
- Een gecomprimeerd rapport genereren om een gecomprimeerd rapport te genereren met 'platte' infraroodbeelden en resultaattabellen.
Het dialoogvenster Rapporteigenschappen wordt weergegeven.
Verricht een of meer van de volgende handelingen:
- Voer in de vooraf gedefinieerde velden de klantgegevens en informatie over de inspectie in.
- Klik op Importeren als u eigenschappen vanuit een eerder opgeslagen tekstbestand wilt importeren.
- Klik op Toevoegen als u een nieuwe eigenschap wilt toevoegen.
- Selecteer een eigenschap en gebruik de pijlknop
of
om de eigenschap omhoog of omlaag te verplaatsen.
- Selecteer een eigenschap en klik op Verwijderen om deze eigenschap te verwijderen.
- Klik op Exporteren om de huidige instellingen van eigenschappen naar een tekstbestand te exporteren.
Als u het rapport wilt maken met de weergegeven eigenschappen, klikt u op OK. Hiermee genereert u een rapport, dat wordt opgeslagen in de rapportenmap, die is opgegeven in Instellingen. Zie paragraaf 9.6 De instellingen wijzigen voor meer informatie.
Het rapport wordt geopend als een Microsoft Word-document. De geselecteerde beelden en de gegevens in het dialoogvenster Rapporteigenschappen worden ingevuld in het rapport op de plaats van de overeenkomstige tijdelijke aanduidingen.
(Van toepassing op bewerkbare rapporten.) Als u een beeld wilt bewerken, voert u een van de volgende handelingen uit:
- Klik op het beeld. Klik op het tabblad FLIR op Beeld-editor.
- Klik met de rechtermuisknop op het beeld en selecteer Beeld bewerken.
- Dubbelklik op het beeld.
Hiermee opent u de Image Editor van FLIR Report Studio. Zie paragraaf 11 Beelden analyseren en bewerken voor meer informatie.
(Van toepassing op bewerkbare rapporten.) Als u objecten wilt wijzigen in het rapport, raadpleegt u paragraaf 12.2 Objecten in het rapport beheren.
Sla het rapport op.
9.5 Een sessie opslaan
- Als u een sessie wilt opslaan, selecteert u Bestand > Sessie opslaan.
- Als u een sessie wilt laden, selecteert u Bestand > Sessie laden.
9.6 De instellingen wijzigen
Volg deze procedure:
Selecteer Opties > Instellingen.
Op het tabblad Rapport kunt u instellingen selecteren voor het maken van rapporten.
- Rapportenmap. De standaarddoelmap voor nieuwe rapporten.
- Sjablonenmap. De map waar zich de rapportsjablonen bevinden.
- Vragen naar de bestandsnaam van het rapport. Schakel dit selectievakje in als u het dialoogvenster Opslaan als wilt weergeven voordat het rapport wordt opgeslagen.
- Automatisch bijbehorende visuele beelden toevoegen wanneer thermische beelden worden toegevoegd. Deze optie is van toepassing op gegroepeerde camerabeelden. Hiermee voegt u bij het toevoegen van thermische beelden aan het rapport, ook de gegroepeerde visuele beelden toe die zijn gekoppeld aan deze thermische beelden.
- Niet vragen naar rapporteigenschappen tijdens het genereren van het rapport. Schakel dit selectievakje in als u een rapport wilt genereren zonder eerst het dialoogvenster Rapporteigenschappen weer te geven.
- Lege tijdelijke aanduidingen voor groepen uit het rapport verwijderen. Schakel dit selectievakje in als u tijdelijke aanduidingen waarvoor geen beelden zijn toegevoegd, uit het rapport wilt verwijderen.
- De toepassing sluiten wanneer het rapport is gegenereerd. Schakel dit selectievakje in als u wilt dat de FLIR Report Studio-wizard wordt gesloten nadat het rapport is gegenereerd.
- Beeldoverlay behouden. Schakel dit selectievakje in als u de thermische beelden wilt weergeven met de overlay die in het beeldbestand is opgeslagen.
Op het tabblad Eenheden kunt u de eenheden selecteren voor temperatuur en afstand.
- Schakel het selectievakje Voorkeur voor eenheden uit sjabloon in als u de instellingen voor eenheden wilt gebruiken die in de rapportsjabloon zijn opgeslagen. Als er in de sjabloon echter geen eenheden zijn ingesteld, worden de eenheden in de velden Temperatuur en Afstand toegepast.
- Schakel het selectievakje Voorkeur voor eenheden uit sjabloon uit als u de eenheden in de velden Temperatuur en Afstand wilt toepassen.
Op het tabblad Importeren kunt u instellingen selecteren voor het importeren van beelden.
- Standaardmap voor het importeren van beelden. Dit is de standaarddoelmap voor beelden die zijn geïmporteerd vanuit een camera die is aangesloten op de computer.
- Bestaande beelden overschrijven. Schakel dit selectievakje in als u bestaande beelden wilt vervangen door de geïmporteerde beelden.
- Bronbeelden verwijderen na importeren. Schakel dit selectievakje in als u de beelden op de camera wilt verwijderen na het importeren.
10 Afbeeldingen importeren vanaf de camera
10.1 Algemeen
10.2 Procedure voor het importeren
Volg deze procedure:
Schakel de camera in.
Sluit de camera op de computer aan met een USB-kabel.
Start de FLIR Report Studio-wizard.
Selecteer een rapportsjabloon en klik op Volgende rechtsonder in het venster.
Klik op Importeren linksonder in het venster.
Het dialoogvenster Beelden importeren wordt weergegeven, waarin de beelden in de camera worden weergegeven. Voor camera's met meer dan één map kunt u de mappen selecteren in het linkerdeelvenster.
Vink in het rechterdeelvenster een of meer selectievakjes aan:
- Bestaande beelden overschrijven.
- Bronbeelden verwijderen na importeren.
Voor camera's met meer dan één map. U hebt de volgende opties:
- Als u alle beelden in alle mappen wilt importeren, klikt u linksonder in het venster op Alle mappen importeren.
- Als u alle beelden in meerdere mappen wilt importeren, houdt u de Ctrl-toets ingedrukt en klikt u op de mappen om ze te selecteren. Klik vervolgens rechtsonder in het venster op Mappen importeren.
- Als u alle beelden in één map wilt selecteren, selecteert u de map en klikt u vervolgens rechtsonder in het venster op Map importeren.
- Als u de geselecteerde beelden in één map wilt selecteren, selecteert u de map, houdt u de Ctrl-toets ingedrukt en klikt u op de beelden om ze te selecteren. Klik vervolgens rechtsonder in het venster op Items importeren.
Voor camera's met één map. U hebt de volgende opties:
- Als u alle beelden wilt importeren, klikt u linksonder in het venster op Alles importeren.
- Als u geselecteerde beelden wilt importeren, houdt u de Ctrl-toets ingedrukt en klikt u op de beelden om ze te selecteren. Klik vervolgens rechtsonder in het venster op Items importeren.
Het dialoogvenster Naar map zoeken wordt weergegeven. Selecteer de doelmap of maak een nieuwe map.
De beelden worden nu geïmporteerd op de computer.
11 Beelden analyseren en bewerken
11.1 Algemeen
- Meethulpmiddelen toevoegen.
- Het infraroodbeeld aanpassen.
- De kleurverdeling wijzigen.
- Het kleurenpalet wijzigen.
- De beeldmodus wijzigen.
- Werken met kleuralarmen en isothermen.
- De metingsparameters wijzigen.
11.2 De Image Editor starten
11.2.1 De Image Editor starten vanuit de FLIR Report Studio-wizard
Volg deze procedure:
U hebt de volgende opties:
- Dubbelklik in het middelste deelvenster op een beeld.
- Dubbelklik in het rechterdeelvenster op een beeld.
11.2.2 De Image Editor starten vanuit de FLIR Word Add-in
Volg deze procedure:
U hebt de volgende opties:
- Dubbelklik op een beeld in het rapport.
- Selecteer een beeld en klik op Beeld-editor op het tabblad FLIR.
- Klik met de rechtermuisknop op een beeld en selecteer Beeld bewerken.
11.3 Schermelementen van de Image Editor
11.3.1 Figuur

11.3.2 Uitleg
- Meetwerkbalk.
- Werkbalk Beeldmodus.
- Temperatuurschaal.
- Miniatuurweergave van het infraroodbeeld.
- Miniatuurweergave van de digitale foto (indien beschikbaar).
- Deelvenster met resultaten en andere informatie:
- Notities.
- Metingen.
- Parameters.
- Annotaties.
- Beeldinformatie.
- Knop voor sluiten.
- Knop voor opslaan.
- Knop voor automatische aanpassing.
- Navigatieknoppen. Klik op de knoppen om naar het vorige of volgende beeld te gaan.
- Knop voor zoominstelling. Klik op de knop en selecteer een van de vooraf gedefinieerde zoominstellingen.
- Knop voor in- en uitzoomen. Klik op deze knop om de knoppen voor in- en uitzoomen weer te geven.
- Knop voor pannen. Klik op de knop en sleep het beeld om te pannen in een ingezoomd beeld.
11.4 Basisfuncties voor beeldbewerking
11.4.1 Het beeld draaien
Volg deze procedure:
Selecteer op de meetwerkbalk het hulpmiddel (Beeld en metingen draaien). Hiermee geeft u een werkbalk weer.
Klik op een van de volgende knoppen op de werkbalk:
- Klik op
om het beeld linksom te draaien.
- Klik op
om het beeld rechtsom te draaien.
11.4.2 Het beelden bijsnijden
Volg deze procedure:
Selecteer op de meetwerkbalk het hulpmiddel (Bijsnijden). Hiermee geeft u een rechthoek op het beeld weer.
Selecteer het bijsnijdgebied door de rechthoek te verplaatsen en te vergroten of verkleinen.
Voer in de rechthoek die het bijsnijdgebied aangeeft, één van de volgende acties uit:
- Klik op
om het beeld bij te snijden. Hiermee opent u het dialoogvenster Opslaan als.
- Klik op
om de bijsnijdactie te annuleren.
11.5 Werken met meethulpmiddelen
11.5.1 Algemeen
11.5.2 Een meethulpmiddel toevoegen
Volg deze procedure:
Selecteer op de meetwerkbalk een van de volgende hulpmiddelen:
- Selecteer op de meetwerkbalk het hulpmiddel
(Punt toevoegen) om een punt toe te voegen.
- Selecteer
(Rechthoek toevoegen) om een rechthoek toe te voegen.
- Selecteer
(Ellips toevoegen) om een ellips toe te voegen.
- Selecteer
(Lijn toevoegen) om een lijn toe te voegen.
Klik op de locatie op het beeld waar het meethulpmiddel moet worden geplaatst.
11.5.3 Een meethulpmiddel verplaatsen en de afmetingen ervan wijzigen
Volg deze procedure:
Selecteer op de meetwerkbalk het hulpmiddel (Selectie).
Als u een meethulpmiddel wilt verplaatsen, selecteert u het hulpmiddel op het beeld en sleept u het naar een nieuwe positie.
Als u het formaat van een meethulpmiddel wilt wijzigen, selecteert u het hulpmiddel op het beeld en gebruikt u het selectiehulpmiddel om de grepen te slepen die zich op de rand rond het hulpmiddel bevinden.
11.5.4 Lokale markeringen voor een meethulpmiddel aanmaken
11.5.4.1 Algemeen
11.5.4.2 Procedure
Volg deze procedure:
Selecteer op de meetwerkbalk het hulpmiddel (Selectie).
Klik met de rechtermuisknop op het hulpmiddel en selecteer Lokale max/min/gem-markeringen.
In het dialoogvenster dat wordt weergegeven, kunt u markeringen die u wilt toevoegen of verwijderen, respectievelijk in- of uitschakelen.
Klik op OK.
11.5.5 Oppervlaktes berekenen
11.5.5.1 Algemeen
11.5.5.1.1 Procedure
Volg deze procedure:
Voeg een meethulpmiddel in de vorm van een rechthoek of ellips toe. Zie paragraaf 11.5.2 Een meethulpmiddel toevoegen.
Pas de grootte van de rechthoek of ellips aan de grootte van het object aan. Zie paragraaf 11.5.3 Een meethulpmiddel verplaatsen en de afmetingen ervan wijzigen.
Klik met de rechtermuisknop op het hulpmiddel en selecteer Lokale max/min/gem-markeringen. Schakel in het dialoogvenster het selectievakje Oppervlakte in. Hiermee geeft u de berekende oppervlakte weer, die is gebaseerd op de waarde voor afstand in het deelvenster METINGEN.
Als u de waarde voor afstand wilt wijzigen, klikt u op het waardeveld in het deelvenster PARAMETERS, typt u een nieuwe waarde en drukt u op Enter. De opnieuw berekende oppervlakte, die is gebaseerd op de nieuwe waarde voor afstand, wordt in het deelvenster METINGEN weergegeven.
11.5.5.1.2 Lengtes berekenen
11.5.5.1.2.1 Algemeen
11.5.5.1.2.1.1 Procedure
Volg deze procedure:
Voeg een lijnmeethulpmiddel toe. Zie paragraaf 11.5.2 Een meethulpmiddel toevoegen.
Pas de grootte van het lijnmeethulpmiddel aan de grootte van het object aan. Zie paragraaf 11.5.3 Een meethulpmiddel verplaatsen en de afmetingen ervan wijzigen.
Klik met de rechtermuisknop op het hulpmiddel en selecteer Lokale max/min/gem-markeringen. Schakel in het dialoogvenster het selectievakje Lengte in. Hiermee geeft u de berekende lengte weer, die is gebaseerd op de waarde voor afstand in het deelvenster METINGEN.
Als u de waarde voor afstand wilt wijzigen, klikt u op het waardeveld in het deelvenster PARAMETERS, typt u een nieuwe waarde en drukt u op Enter. De opnieuw berekende oppervlakte, die is gebaseerd op de nieuwe waarde voor afstand, wordt in het deelvenster METINGEN weergegeven.
11.5.6 Een verschilberekening instellen
11.5.6.1 Algemeen
11.5.6.2 Procedure
11.5.6.2.1 Procedure
Volg deze procedure:
Selecteer op de meetwerkbalk het hulpmiddel (Delta toevoegen).
De verschilberekening wordt weergegeven onder METINGEN in het rechterdeelvenster.
Als u de instellingen voor de verschilberekening wilt wijzigen, gaat u als volgt te werk:
- Klik in het rechterdeelvenster op
(Bewerken). Er verschijnt een dialoogvenster.
- Selecteer in dit dialoogvenster de meethulpmiddelen en de waarden (maximum, minimum of gemiddelde) die u wilt gebruiken in
de verschilberekening. U kunt ook een vaste temperatuur selecteren.
Als u de verschilberekening wilt verwijderen, klikt u op (Verwijderen).
11.5.7 Een meethulpmiddel verwijderen
Volg deze procedure:
Selecteer op de meetwerkbalk het hulpmiddel (Selectie).
Selecteer het meethulpmiddel op het beeld en voer een van de volgende acties uit:
- Druk op de Delete-toets op uw toetsenbord.
- Klik met de rechtermuisknop op het hulpmiddel en selecteer Verwijderen.
11.6 Het infraroodbeeld aanpassen
11.6.1 Algemeen
11.6.2 Voorbeeld 1
![]() Automatisch
|
![]() Handmatig
|
11.6.3 Voorbeeld 2
![]() Automatisch
|
![]() Handmatig
|
11.6.4 De temperatuurniveaus wijzigen
Volg deze procedure:
Als u het hoogste niveau van de temperatuurschaal wilt wijzigen, sleept u de bovenste schuifregelaar omhoog of omlaag.
Als u het laagste niveau van de temperatuurschaal wilt wijzigen, sleept u de onderste schuifregelaar omhoog of omlaag.

11.6.5 Het beeld automatisch aanpassen
Volg deze procedure:
Als u het beeld automatisch wilt aanpassen, klikt u op Auto.

11.6.6 Bereik van automatische aanpassing definiëren
Volg deze procedure:
Selecteer op de meetwerkbalk het hulpmiddel (Gebied voor automatisch aanpassen instellen).
Gebruik het weergegeven hulpmiddel om een gebied te maken. Dit gebied kan worden verplaatst en groter of kleiner worden gemaakt om het aan te passen aan het voor u relevante gebied.
Als u het gebied voor automatisch aanpassen wilt verwijderen, selecteert u het gebied en voert u een van de volgende acties uit:
- Druk op de Delete-toets op uw toetsenbord.
- Klik met de rechtermuisknop op het gebied en selecteer Verwijderen.
11.7 Kleurverdeling wijzigen
11.7.1 Algemeen
11.7.2 Definities
- Temperatuur, linear: Dit is een methode voor het weergeven van beelden waarbij de kleurinformatie in het beeld lineair wordt verdeeld over de temperatuurwaarden van de pixels.
- Histogram-egalisatie: Dit is een methode voor het weergeven van beelden waarbij de kleurinformatie wordt verdeeld over de bestaande temperaturen van het beeld. Deze manier om kleurinformatie te verdelen kan met name succesvol zijn wanneer het beeld slechts een beperkt aantal zeer hoge temperatuurpieken bevat.
- Signaal, linear: Dit is een methode voor het weergeven van beelden waarbij de kleurinformatie in het beeld lineair wordt verdeeld over de signaalwaarden van de pixels.
- Digitale detailverbetering: Dit is een methode voor het weergeven van beelden waarbij de hoogfrequente inhoud in het beeld, zoals randen en hoeken, wordt versterkt, zodat de details beter zichtbaar zijn.
11.7.3 Procedure
Volg deze procedure:
Klik met de rechtermuisknop op het beeld en selecteer Kleurverdeling. Er wordt een menu weergegeven.
Selecteer in het menu een van de volgende opties:
- Temperatuur, lineair.
- Histogram-egalisatie.
- Signaal, lineair.
- Digitale detailverbetering.
11.8 Het kleurpalet wijzigen
11.8.1 Algemeen
|
Kleurenpalet |
Voorbeeld van beeld |
|---|---|
|
Arctisch
|
![]() |
|
Koel
|
![]() |
|
Grijs
|
![]() |
|
IJzer
|
![]() |
|
Lava
|
![]() |
|
Regenboog
|
![]() |
|
Regenboog HC
|
![]() |
|
Warm
|
![]() |
11.8.2 Procedure
Volg deze procedure:
Selecteer op de meetwerkbalk het hulpmiddel (Kleur). Er wordt een menu weergegeven.
Klik in het menu op het palet dat u wilt gebruiken.
11.9 De beeldmodus wijzigen
11.9.1 Algemeen
11.9.2 Typen beeldmodi
|
Beeldmodus |
Voorbeeld van beeld |
|---|---|
|
Thermische MSX (multispectrale dynamische beeldverwerking): In deze modus wordt een infraroodbeeld weergegeven waarin de randen van objecten
duidelijker worden weergegeven. De balans tussen het thermische beeld en de foto kan worden aangepast.
|
![]() |
|
Thermisch: In deze modus wordt alleen het infraroodbeeld weergegeven.
|
![]() |
|
Thermische fusie: In deze modus wordt een digitale foto weergegeven waarvan sommige delen in infrarood worden weergegeven, afhankelijk van
de temperatuurlimieten.
|
![]() |
|
Thermische blending: Er wordt een samengevoegd beeld weergegeven waarin een mix van infraroodpixels en digitale fotopixels wordt gebruikt. De
balans tussen het thermische beeld en de foto kan worden aangepast.
|
![]() |
|
Beeld-in-beeld: In deze modus wordt een infraroodbeeld boven op een digitale foto weergegeven.
|
![]() |
|
Digitale camera: In deze modus wordt alleen een digitale foto weergegeven.
|
![]() |
11.9.3 Procedure
Volg deze procedure:
Selecteer op de beeldmoduswerkbalk een van de volgende opties:
(Thermische MSX).
(Thermisch).
(Thermische fusie).
(Thermische blending).
(Beeld-in-beeld).
(Digitale camera).
Voor de modi Thermische MSX en Thermische blending geldt: als u de balans tussen het thermische beeld en de foto wilt aanpassen, klikt u op de pijl naast het beeldmoduspictogram en sleept u de schuifregelaar naar links of rechts.
Voor de modus Digitale camera geldt: als u in het beeld de kleuren wilt veranderen in grijstinten, klikt u op de pijl naast het beeldmoduspictogram en schakelt u het desbetreffende selectievakje in.
11.10 Werken met kleuralarmen en isothermen
11.10.1 Algemeen
- Alarm boven. Hiermee wijst u een contrasterende kleur toe aan alle pixels met een temperatuur boven het vooraf ingestelde temperatuurniveau.
- Alarm onder. Hiermee wijst u een contrasterende kleur toe aan alle pixels met een temperatuur onder het vooraf ingestelde temperatuurniveau.
- Alarm interval. Hiermee wijst u een contrasterende kleur toe aan alle pixels met een temperatuur tussen twee vooraf ingestelde temperatuurniveaus.
- Luchtvochtigheidsalarm: Dit alarm wordt geactiveerd wanneer de relatieve luchtvochtigheid van een oppervlak boven een vooraf ingestelde waarde komt.
- Alarm isolatie: activeert een alarm als er sprake is van een isolatiefout in een muur
- Aangepast alarm: Dit type alarm stelt u in staat handmatig de instellingen voor een standaardalarm te wijzigen.

11.10.2 Voorbeelden van beelden
|
Kleuralarm |
Beeld |
|---|---|
|
Alarm boven
|
![]() |
|
Alarm onder
|
![]() |
|
Alarm interval
|
![]() |
|
Luchtvochtigheidsalarm
|
![]() |
|
Alarm isolatie
|
![]() |
11.10.3 Boven- en onder-alarmen instellen
Volg deze procedure:
Selecteer op de meetwerkbalk het hulpmiddel (Kleur). Er wordt een menu weergegeven.
Selecteer in het menu een van de volgende opties:
- Boven-alarm.
- Onder-alarm.
Kijk in het rechterdeelvenster wat de parameter Limiet is. Gebieden in de afbeelding met een temperatuur hoger of lager dan deze temperatuur worden gekleurd met de isothermkleur. U kunt deze limiet wijzigen en ook de isothermkleur veranderen in het menu Kleur.
11.10.4 Een interval-alarm instellen
Volg deze procedure:
Selecteer op de meetwerkbalk het hulpmiddel (Kleur). Er wordt een menu weergegeven.
Selecteer Interval-alarm in het menu.
Kijk in het rechterdeelvenster wat de parameters Bovengrens en Ondergrens zijn. Gebieden in de afbeelding met een temperatuur tussen deze twee temperaturen worden gekleurd met de isothermkleur. U kunt deze limieten wijzigen en ook de isothermkleur veranderen in het menu Kleur menu.
11.10.5 Een luchtvochtigheidsalarm instellen
11.10.5.1 Algemeen
11.10.5.2 Procedure
Volg deze procedure:
Selecteer op de meetwerkbalk het hulpmiddel (Kleur). Er wordt een menu weergegeven.
Selecteer in het menu de optie Luchtvochtigheidsalarm. Afhankelijk van het onderwerp van uw beeld, worden nu bepaalde gebieden gekleurd met een isothermkleur.
Kijk in het rechterdeelvenster wat de parameter Berekende limiet is. Dit is de temperatuur waarbij het risico bestaat op vochtigheid. Als de parameter Limiet rel. vocht. op 100% is ingesteld is dit ook het dauwpunt, d.w.z. de temperatuur waarbij de vochtigheid als vloeibaar water neerslaat.
11.10.6 Een isolatie-alarm instellen
11.10.6.1 Algemeen
11.10.6.2 Procedure
Volg deze procedure:
Selecteer op de meetwerkbalk het hulpmiddel (Kleur). Er wordt een menu weergegeven.
Selecteer in het menu de optie Isolatie-alarm. Afhankelijk van het onderwerp van uw beeld, worden nu bepaalde gebieden gekleurd met een isothermkleur.
Kijk in het rechterdeelvenster wat de parameter Berekende isolatie is. Dit is de temperatuur waar het isolatieniveau onder een vooraf ingestelde waarde voor het energielek van het gebouw valt.
11.10.7 Een aangepast alarm instellen
11.10.7.1 Algemeen
- Boven-alarm.
- Onder-alarm.
- Interval-alarm.
- Luchtvochtigheidsalarm.
- Isolatie-alarm.
- Achtergrond.
- Kleuren (semi-transparant of effen kleuren).
- Omgekeerd interval (alleen voor de isotherm Interval).
11.10.7.2 Procedure
Volg deze procedure:
Selecteer op de meetwerkbalk het hulpmiddel (Kleur). Er wordt een menu weergegeven.
Selecteer in dit menu de optie Aangepast alarm.
Vul in het rechterdeelvenster in wat de volgende parameters zijn:
- VoorBovenliggend enOnderliggend:
- Achtergrond.
- Limiet.
- Kleur.
- Voor Interval:
- Achtergrond.
- Bovengrens.
- Ondergrens.
- Kleur.
- Omgekeerd interval.
- Voor Vochtigheid:
- Achtergrond.
- Relatieve vochtigheid.
- Limiet rel. vocht..
- Atmosferische temperatuur.
- Kleur.
- Voor Isolatie:
- Achtergrond.
- Binnentemperatuur.
- Buitentemperatuur.
- Isolatiefactor (0-1).
- Kleur.
11.11 De lokale parameters voor een meethulpmiddel wijzigen
11.11.1 Algemeen
- In het beeld wordt een asterisk (*) weergegeven naast het meethulpmiddel.
- In de resultaattabel van de Image Editor wordt een pictogram weergegeven naast de gemeten waarde.
- In resultaatvelden en -tabellen in infraroodrapporten wordt een asterisk (*) weergegeven en de lokale-parameterwaarden worden
tussen haakjes vermeld.
11.11.2 Procedure
Volg deze procedure:
Selecteer op de meetwerkbalk het hulpmiddel (Selectie).
Klik met de rechtermuisknop op het hulpmiddel en selecteer Lokale parameters.
Selecteer Lokale parameters gebruiken in het dialoogvenster.
Voer een waarde in voor een of meer parameters.
Klik op OK.
11.12 Werken met tekstcommentaar
11.12.1 Algemeen
11.12.2 Over afbeeldingsbeschrijvingen
11.12.2.1 Wat is een afbeeldingsbeschrijving?
11.12.2.1.1 Procedure
- Typ in het rechterdeelvenster de beeldbeschrijving in het veld onder NOTITIE.
11.12.3 Over tekstcommentaar
11.12.3.1 Wat is een tekstcommentaar?
11.12.3.2 Een tekstcommentaar voor een beeld maken
Volg deze procedure:
Voer onder TEKSTANNOTATIES in het rechterdeelvenster een van de volgende acties uit:
- Klik op
. Hiermee opent u het dialoogvenster Tekstannotaties.
Vul de gewenste labels en waarden in. Zie onderstaande afbeelding voor voorbeelden.
12 Werken in de Microsoft Word-omgeving
12.1 Schermelementen van de FLIR Word Add-in
12.1.1 Tabblad FLIR

- Klik op Nieuw rapport om een nieuw rapport te maken. Hiermee start u de FLIR Report Studio-wizard. Zie paragraaf 9 Infrarood-rapporten maken voor meer informatie.
- Klik op Thermisch beeld om een thermisch-beeldobject in te voegen. Een thermisch-beeldobject is een tijdelijke aanduiding waarin automatisch een thermisch beeld wordt geladen wanneer het rapport wordt gemaakt. Zie paragraaf 12.2.2 Een thermisch-beeldobject invoegen voor meer informatie.
- Klik op Digitaal beeld om een digitaal-beeldobject in te voegen. Een digitaal-beeldobject is een tijdelijke aanduiding voor het visuele beeld dat is gekoppeld aan een thermisch beeld. Zie paragraaf 12.2.3 Een digitaal-beeldobject invoegen voor meer informatie.
- Klik op Veld om een veldobject in te voegen. Een veldobject is een tijdelijke aanduiding waarin automatisch informatie wordt weergegeven die is gekoppeld aan een thermisch beeld wanneer het rapport wordt gemaakt. Zie paragraaf 12.2.4 Een veldobject invoegen voor meer informatie.
- Klik op Tabel om een tabelobject in te voegen. Een tabelobject is een tijdelijke aanduiding waarin automatisch een tabel wordt weergegeven met bepaalde informatie die is gekoppeld aan een thermisch beeld wanneer het rapport wordt gemaakt. Zie paragraaf 12.2.5 Een tabelobject invoegen voor meer informatie.
- Klik op Rapporteigenschappen om een rapporteigenschappen-object in te voegen. Een rapporteigenschappen-object is een tijdelijke aanduiding waarin automatisch klantgegevens en informatie over de inspectie worden weergegeven wanneer het rapport wordt gemaakt. Zie paragraaf 12.2.6 Een rapporteigenschappen-object invoegen voor meer informatie.
- Selecteer een thermisch beeld en klik op Beeld-editor om het beeld te bewerken. Hiermee start u de Image Editor van FLIR Report Studio. Zie paragraaf 11 Beelden analyseren en bewerken voor meer informatie.
- Klik op de pijl van Nieuwe sjabloon maken en voer een van de volgende acties uit:
- Klik op Nieuwe sjabloon maken om een nieuwe rapportsjabloon te maken door een standaardrapportsjabloon aan te passen.
- Klik op Maken op basis van bestaande sjabloon om een nieuwe rapportsjabloon te maken door een standaardrapportsjabloon aan te passen.
Zie paragraaf 13 Rapportsjablonen maken voor meer informatie. - Klik op de pijl van Instellingen om het menu Instellingen weer te geven. Zie paragraaf 12.1.2 Menu Instellingen voor meer informatie.
- Klik in de groep Exporteren op de pijl en voer een van de volgende acties uit:
- Klik opFlat DocX om het rapport te exporteren als een plat rapport. Een plat rapport kan nog steeds worden bewerkt met gewone Microsoft Word-functies, maar het is niet langer mogelijk om de beeld-, veld- en tabelobjecten te beheren.
- Klik op PDF om het rapport te exporteren als een niet-bewerkbaar PDF-bestand.
Zie paragraaf 12.7 Een rapport exporteren voor meer informatie. - Klik op Formulebeheer om een formule te maken voor het uitvoeren van geavanceerde berekeningen op items in een infraroodbeeld. Zie paragraaf 12.4 Werken met formules voor meer informatie.
- (Alleen beschikbaar als u uw FLIR Report Studio-licentie nog niet hebt geactiveerd.) Klik hierop om het activeringsvenster te openen. Zie paragraaf 6 Licenties beheren voor meer informatie.
12.1.2 Menu Instellingen
- Paginanummers bijwerken. Klik hierop om de paginanummers bij te werken voor velden die gekoppeld zijn aan beelden.
- Eenheden instellen. Klik hierop om de gewenste eenheden voor temperatuur en afstand in te stellen. Zie paragraaf 12.9 De instellingen wijzigen voor meer informatie.
- Sjablooncategorieën. (Beschikbaar bij het maken van een rapportsjabloon.) Klik hierop om een categorie te selecteren voor de rapportsjabloon. Zie paragraaf 13.2.5 Een sjablooncategorie selecteren voor meer informatie.
- Help. Klik hierop om het menu Help weer te geven. Zie paragraaf 12.1.2.1 Menu Help.
12.1.2.1 Menu Help
- Documentatie. Klik hierop en selecteer Online om de meest recente Help-bestanden op het internet weer te geven of selecteer Offline om de Help-bestanden weer te geven die op uw computer zijn geïnstalleerd.
- FLIR Store. Klik hierop om naar de website van de FLIR Store te gaan.
- Ondersteuningscentrum van FLIR. Klik hierop om naar het ondersteuningscentrum van FLIR te gaan.
- Licentie-informatie. Klik hierop om de License Viewer weer te geven.
- Zoeken naar updates. Klik hierop om te controleren of er software-updates zijn. Zie paragraaf 15 Software-update voor meer informatie.
- Over. Klik hierop om de huidige versie van FLIR Word Add-in weer te geven.
12.2 Objecten in het rapport beheren
12.2.1 General
12.2.2 Een thermisch-beeldobject invoegen
Volg deze procedure:
Plaats de aanwijzer op de plek waar u het thermische beeld wilt weergeven in het rapport.
Klik op het tabblad FLIR op Thermisch beeld. Hiermee geeft u een tijdelijke aanduiding voor een thermisch beeld weer op de pagina.
Als u een rapport aanpast, kunt u een thermisch beeld openen in de tijdelijke aanduiding. Zie paragraaf 12.2.8 Een beeld vervangen.
Als u een rapportsjabloon maakt, kunt u de tijdelijke aanduiding ongewijzigd laten, zonder een beeld te openen.
12.2.3 Een digitaal-beeldobject invoegen
Volg deze procedure:
Plaats de aanwijzer op de plek waar u het digitale beeld wilt weergeven in het rapport.
Dubbelklik op het tabblad FLIR op Digitaal beeld.
Als er meer dan één thermisch beeld in het rapport aanwezig is, wordt het dialoogvenster Referentiebeeld kiezen weergegeven. Klik op het thermische beeld waaraan het digitale beeld dat u wilt invoegen, is gekoppeld en klik op OK.
Als er slechts één thermisch beeld in het rapport aanwezig is, wordt het bijbehorende digitale beeld automatisch ingevoegd.
Er wordt een tijdelijke aanduiding voor een digitaal beeld op de pagina weergegeven. Het nummer van de tijdelijke aanduiding verwijst naar het gekoppelde thermische beeld.
12.2.4 Een veldobject invoegen
12.2.4.1 Algemeen
12.2.4.2 Procedure
Volg deze procedure:
Plaats de aanwijzer op de plek waar u het veldobject wilt weergeven in het rapport.
Klik op het tabblad FLIR. op Veld.
Als er meer dan een beeld in het rapport aanwezig is, wordt het dialoogvenster Referentiebeeld kiezen weergegeven. Klik op het beeld dat u als referentiebeeld wilt gebruiken bij het vullen van het veldobject en klik op OK.
Als er slechts één beeld in het rapport aanwezig is, wordt het veldobject automatisch gekoppeld aan dat beeld.
Het dialoogvenster Veld invoegen wordt weergegeven.
Gebruik de deelvensters GROEP en VELD om de inhoud te selecteren die u in het veldobject wilt weergeven. Er wordt een preview van het veldobject (label en waarde) in het dialoogvenster weergegeven.
U hebt de volgende opties:
- Schakel het selectievakje Titel invoegen in als u het label en de waarde in het rapport wilt weergeven.
- Schakel het selectievakje Titel invoegen uit als u alleen de waarde in het rapport wilt weergeven.
Klik op OK.
Het veldobject met de inhoud die u hebt geselecteerd, wordt in het rapport weergegeven.
12.2.5 Een tabelobject invoegen
12.2.5.1 Algemeen
- Metingen.
- Parameters.
- METERLiNK.
- Geolocatie.
- Camera-info.
- Bestandsinfo.
- Tekstannotaties.
- Notities.
- Formules.
12.2.5.2 Een tabelobject invoegen
Volg deze procedure:
Plaats de aanwijzer op de plaats waar u het tabelobject wilt weergeven in het rapport.
Klik op het tabblad FLIR op Tabel.
Als er meer dan één beeld in het rapport aanwezig is, wordt het dialoogvenster Referentiebeeld kiezen weergegeven. Klik op het beeld dat u als referentiebeeld wilt gebruiken bij het vullen van het tabelobject en klik op OK.
Als er slechts één beeld in het rapport aanwezig is, wordt het tabelobject automatisch gekoppeld aan dat beeld.
Het dialoogvenster Tabel invoegen wordt weergegeven.
Gebruik de deelvensters TABEL en TABELITEMS om de inhoud te selecteren die u in het tabelobject wilt weergeven.
Er wordt een structurele preview van de tabel in het dialoogvenster weergegeven. Als u de volgorde van de tabelitems wilt
wijzigen, klikt u op een rij in de preview en klikt u vervolgens op de pijltoets of
.
U hebt de volgende opties:
- Schakel het selectievakje Koptekst invoegen in als u de tabel met een koptekst in het rapport wilt weergeven.
- Schakel het selectievakje Koptekst invoegen uit als u de tabel zonder koptekst in het rapport wilt weergeven.
Klik op OK.
Het tabelobject met de inhoud die u hebt geselecteerd, wordt in het rapport weergegeven.
12.2.5.3 Een aangepast tabelobject maken
Volg deze procedure:
Plaats de aanwijzer op de plaats waar u het tabelobject wilt weergeven in het rapport.
Klik op het tabblad FLIR op Tabel.
Als er meer dan één beeld in het rapport aanwezig is, wordt het dialoogvenster Referentiebeeld kiezen weergegeven. Klik op het beeld dat u als referentiebeeld wilt gebruiken bij het vullen van het tabelobject en klik op OK.
Als er slechts één beeld in het rapport aanwezig is, wordt het tabelobject automatisch gekoppeld aan dat beeld.
Het dialoogvenster Tabel invoegen wordt weergegeven.
Klik op de knop Maken.
Het dialoogvenster Tabel toevoegen/bewerken wordt weergegeven.
Voer in het tekstvak Tabelnaam de naam in van uw tabel.
Gebruik de deelvensters GROEP en VELD om de inhoud te selecteren die u wilt weergeven. Als u een item in de tabel wilt opnemen, voert u een van de volgende acties uit:
- Klik op het item in het deelvenster VELD en klik vervolgens op de knop Toevoegen.
- Dubbelklik op het item in het deelvenster VELD.
- Houd de aanwijzer boven het item in het deelvenster VELD en klik vervolgens op de knop
die wordt weergegeven.
Er wordt een structurele preview van de tabel in het dialoogvenster weergegeven. Als u de volgorde van de tabelitems wilt
wijzigen, klikt u op een rij in de preview en klikt u vervolgens op de pijltoets of
.
Als u een tabelitem wilt verwijderen, voert u een van de volgende acties uit:
- Klik op de rij in de preview en klik vervolgens op de knop Verwijderen.
- Houd de aanwijzer boven het item in de preview en klik vervolgens op de knop
die wordt weergegeven.
Klik op OK.
Het dialoogvenster Tabel invoegen wordt weergegeven. In het deelvenster TABEL wordt uw tabel weergegeven onder Aangepast.
In het dialoogvenster Tabel invoegen kunt u het volgende doen:
- Als u een aangepaste tabel wilt bewerken, klikt u op de tabel in het deelvenster TABEL en klikt u vervolgens op de knop Bewerken.
- Als u een aangepaste tabel wilt verwijderen, klikt u op de tabel in het deelvenster TABEL en klikt u vervolgens op de knop Verwijderen.
- Als u een aangepaste tabel wilt importeren, klikt u op de knop Importeren.
- Als u een aangepaste tabel wilt exporteren, klikt u op de tabel in het deelvenster TABEL en klikt u vervolgens op de knop Exporteren.
U hebt de volgende opties:
- Schakel het selectievakje Koptekst invoegen in als u de tabel met een koptekst in het rapport wilt weergeven.
- Schakel het selectievakje Koptekst invoegen uit als u de tabel zonder koptekst in het rapport wilt weergeven.
Klik op OK.
Het tabelobject met de inhoud die u hebt geselecteerd, wordt in het rapport weergegeven.
12.2.5.4 Een samenvattingstabel invoegen
Volg deze procedure:
Plaats de aanwijzer op de plaats waar u de samenvattingstabel wilt weergeven in het rapport.
Klik op het tabblad FLIR op de pijl van Tabel. Er verschijnt een menu.
Klik in het menu op Samenvattingstabel.
Het dialoogvenster Samenvattingsvelden kiezen wordt weergegeven.
In het dialoogvenster Samenvattingsvelden kiezen zijn de weergegeven velden de velden die als veldobjecten of items in een tabelobject in het rapport beschikbaar zijn. Als u andere veldobjecten wilt toevoegen, klikt u op Toevoegen. Hiermee geeft u het dialoogvenster Veld invoegen weer.
U kunt bijvoorbeeld het veldobject Paginanummer toevoegen waarin het nummer wordt getoond van de pagina waarop de gegevens worden weergegeven in het rapport. Als u dit wilt doen, selecteert u Bestandsinfo in het deelvenster GROEP, selecteert u Paginanummer in het deelvenster VELD en klikt u op OK.
Selecteer in het dialoogvenster Samenvattingsvelden kiezen de labels die u in het samenvattingstabel-object wilt weergeven.
Als u de volgorde van de tabelitems wilt wijzigen, klikt u op een rij en klikt u vervolgens op de pijltoets of
.
Klik op OK.
Het samenvattingstabel-object met de door u geselecteerde inhoud wordt in het rapport weergegeven.
12.2.6 Een rapporteigenschappen-object invoegen
Volg deze procedure:
Plaats de aanwijzer op de plaats waar u het rapporteigenschappen-object wilt weergeven in het rapport.
Klik op het tabblad FLIR op Rapporteigenschappen.
Het dialoogvenster Rapporteigenschappen invoegen wordt weergegeven.
In het dialoogvenster Rapporteigenschappen invoegen kunt u het volgende doen:
- Gebruik de selectievakjes om items te selecteren die u in het rapporteigenschappen-object wilt weergeven.
- Als u de naam van het item wilt wijzigen, voert u in het tekstvak Naam de gewenste naam in.
- Als u de waarde van het item wilt wijzigen, voert u in het tekstvak Waarde de gewenste waarde in.
- Als u een nieuw tabelitem wilt toevoegen, klikt u op de knop Toevoegen. Voer vervolgens in de tekstvakken Naam en Waarde de gewenste naam en waarde in.
- Als u de volgorde van de tabelitems wilt wijzigen, klikt u op een rij en klikt u vervolgens op de pijltoets
of
.
- Als u standaardtabelitems wilt toevoegen, klikt u op de knop Standaard maken.
Klik op OK.
Er wordt een tabel met de door u geselecteerde inhoud in het rapport weergegeven.
U kunt de inhoud van het rapporteigenschappen-object bewerken met de normale Microsoft Word-functies.
12.2.7 De afmetingen van objecten wijzigen
12.2.7.1 Het formaat van een beeldobject wijzigen
Volg deze procedure:
Klik op een thermisch- of digitaal-beeldobject op de rapportpagina.
Klik met de rechtermuisknop op het beeldobject en selecteer Formaat wijzigen.
Sleep een van de grepen van het object om het formaat te wijzigen.
12.2.7.2 Het formaat van een tabelobject wijzigen
Volg deze procedure:
Selecteer een tabelobject op de rapportpagina.
Klik op het tabblad Hulpmiddelen voor tabellen op de tab Indeling en gebruik de hulpmiddelen om het formaat van de tabel te wijzigen.
12.2.8 Een beeld vervangen
Volg deze procedure:
Klik met de rechtermuisknop op een beeldobject en selecteer Beeld vervangen.
Zoek in het dialoogvenster Openen een nieuw beeld en open dit.
12.2.9 Objecten verwijderen
12.2.9.1 Een beeldobject verwijderen
Volg deze procedure:
Klik op een beeldobject op de rapportpagina.
Er wordt een label weergegeven boven het beeld. Klik op het label om het hele beeldobject te selecteren.
Druk op de Delete-toets op uw toetsenbord.
12.2.9.2 Een veldobject verwijderen
Volg deze procedure:
Klik op een veldobject op de rapportpagina.
Er wordt een label weergegeven boven het object. Klik op het label om het hele object te selecteren.
Druk op de Delete-toets op uw toetsenbord.
12.2.9.3 Een tabelobject verwijderen
Volg deze procedure:
Klik op een tabelobject op de rapportpagina.
Ga naar het contextgevoelige Microsoft Word-tabblad Hulpmiddelen voor tabellen, klik op de tab Indeling en klik vervolgens op de knop Verwijderen. Er verschijnt een menu.
Klik in het menu op Tabel verwijderen.
12.3 Een beeld bewerken
Volg deze procedure:
Als u een beeld wilt bewerken, voert u een van de volgende handelingen uit:
- Klik op het beeld. Klik op het tabblad FLIR op Beeld-editor.
- Klik met de rechtermuisknop op het beeld en selecteer Beeld bewerken.
- Dubbelklik op het beeld.
Hiermee opent u de Image Editor van FLIR Report Studio. Zie paragraaf 11 Beelden analyseren en bewerken voor meer informatie.
12.4 Werken met formules
12.4.1 Algemeen
- Een formule kan slechts voor één infraroodbeeld tegelijk worden gebruikt. U kunt daarom met een formule bijvoorbeeld geen verschillen tussen twee infraroodbeelden berekenen.
- U kunt bestaande METERLiNK-gegevens in het infraroodbeeld gebruiken als waarde in een formule (u kunt ze op dezelfde manier gebruiken als een infraroodmeetwaarde). METERLiNK-gegevens kunnen in het infraroodbeeld worden opgeslagen door gebruik te maken van een externe FLIR-/Extech-meter, zoals een stroomtang of een vochtmeter, in combinatie met de infraroodcamera.
12.4.2 Een eenvoudige formule maken
Een formule maken die het temperatuurverschil tussen twee punten berekent
Voeg in uw rapport thermisch-beeldobject in. Zie paragraaf 12.2.2 Een thermisch-beeldobject invoegen.
Open een beeld in de Image Editor. Zie paragraaf 12.3 Een beeld bewerken.
Voeg twee punten (meethulpmiddelen) toe aan het beeld. Zie paragraaf 11.5.2 Een meethulpmiddel toevoegen.
Klik op het tabblad FLIR op Formulebeheer.
Het dialoogvenster Formulebeheer wordt weergegeven. Klik op de knop Maken.
Het dialoogvenster Formule maken wordt weergegeven. Klik op de knop veld.
Het dialoogvenster Selecteer veld en invoer wordt weergegeven.
Doe het volgende:
- Klik in het deelvenster GROEP op Spotmeters.
- Klik in het deelvenster INVOER op Sp2.
- Klik in het deelvenster VELD op Temperatuur.
- Klik op OK.
Klik in het dialoogvenster Formule maken op de minknop om een wiskundige operator voor aftrekken toe te voegen.
Klik op de knop veld. Herhaal stap 7 voor punt Sp1.
In het dialoogvenster Formule maken wordt nu de formule voor het berekenen van het temperatuurverschil weergegeven met de syntaxis van FLIR Systems.
Voer in het tekstvak Label de tekst in die u samen met de formuleresultaten in het rapport wilt weergeven. Voer in het vak Precisie het aantal decimalen in voor het formuleresultaat.
Klik in het dialoogvenster Formule maken op OK.
Klik in het dialoogvenster Formulebeheer op OK.
De formule voor het berekenen van het temperatuurverschil kan nu worden ingevoegd in de veld- en tabelobjecten in het rapport.
12.4.3 Een voorwaardelijke formule maken
Een voorwaardelijke formule met de ALS-instructie maken
Maak een formule die het temperatuurverschil berekent tussen twee punten. Zie paragraaf 12.4.2 Een eenvoudige formule maken.
Klik op het tabblad FLIR op Formulebeheer.
Het dialoogvenster Formulebeheer wordt weergegeven. Klik op de knop Maken.
Het dialoogvenster Formule maken wordt weergegeven. Klik op de knop IF (ALS).
Het dialoogvenster 'ALS'-formule wordt weergegeven. Klik op de knop Toevoegen....
Er wordt een dialoogvenster weergegeven.
Doe het volgende:
- Klik onder Linker waarde op de knop ... Hiermee geeft u het dialoogvenster Selecteer veld en invoer weer. Klik in het deelvenster GROEP op Formules. Selecteer in het deelvenster VELD de formule voor het berekenen van het temperatuurverschil. Klik op OK.
- Selecteer in de vervolgkeuzelijst Operator de optie >.
- Voer in het tekstvak Rechter waarde de waarde 2,0 in.
- Klik op OK.
Ga als volgt te werk in het dialoogvenster ‘ALS’-formule:
- Klik in de rij Waarde indien WAAR op de knop ... en selecteer de formule voor het berekenen van het temperatuurverschil.
- Klik in de rij Waarde indien WAAR op de knop Auto en selecteer de kleur rood.
- Klik in de rij Waarde indien ONWAAR op de knop ... en selecteer de formule voor het berekenen van het temperatuurverschil.
- Klik in de rij Waarde indien ONWAAR op de knop Auto en selecteer de kleur groen.
- Klik op OK.
In het dialoogvenster Formule maken wordt nu de volledige voorwaardelijke formule weergegeven. De twee codereeksen van 10 cijfers na het isgelijkteken vertegenwoordigen de kleuren.
Voer in het tekstvak Label de tekst in die u samen met de formuleresultaten in het rapport wilt weergeven. Voer in het vak Precisie het aantal decimalen in voor het formuleresultaat.
Klik in het dialoogvenster Formule maken op OK.
Klik in het dialoogvenster Formulebeheer op OK.
De voorwaardelijke formule die u hebt gemaakt, kan nu worden ingevoegd in de veld- en tabelobjecten in het rapport. Het resultaat van de formule voor het berekenen van het temperatuurverschil wordt in rood of groen weergegeven, afhankelijk van de gemeten waarden van de twee spotmeters.
12.4.4 Formules exporteren en importeren
Klik op het tabblad FLIR op Formulebeheer.
Het dialoogvenster Formulebeheer wordt weergegeven.
Voer in het dialoogvenster Formulebeheer een van de volgende acties uit:
- Als u een of meer formules wilt importeren uit een tekstbestand, klikt u op de knop Importeren.
- Als u een of meer formules wilt exporteren naar een tekstbestand, klikt u op de knop Exporteren.
12.5 Documenteigenschappen
12.5.1 Algemeen
12.5.2 Typen documenteigenschappen
- Beknopte documenteigenschappen.
- Aangepaste documenteigenschappen.
12.5.3 Microsoft Word-documenteigenschappen maken en bewerken
Documenteigenschappen maken en bewerken
Start de FLIR Report Studio-wizard. Klik in het middelste deelvenster met de rechtermuisknop op één van de rapportsjablonen en selecteer Bewerken.Hiermee opent u de rapportsjabloon (*.dotx) in Microsoft Word.
Klik op het tabblad Bestand op Info.
Selecteer in het vervolgkeuzemenu Eigenschappen de optie Geavanceerde eigenschappen.
Voer op het tabblad Beknopt uw informatie in in de betreffende tekstvakken.
Klik op het tabblad Aangepast.
Als u een aangepaste eigenschap wilt toevoegen, typt u een naam in het veld Naam. Als u uw aangepaste eigenschappen makkelijk vindbaar wilt maken, kunt u een underscore ( _ ) typen als het eerste teken in de naam van de eigenschap.
Geef het type van de eigenschap op in het veld Type.
U kunt de waarde van de eigenschap opgeven in het veld Waarde.
Klik op Toevoegen om de aangepaste eigenschap toe te voegen aan de lijst met eigenschappen en klik vervolgens op OK.
Sla de infraroodrapportsjabloon op onder een andere bestandsnaam, maar met dezelfde bestandsnaamextensie (*.dotx). U hebt nu beknopte en aangepaste eigenschappen toegevoegd aan uw hernoemde infraroodrapportsjabloon.
12.6 Een rapport maken
Volg deze procedure:
Klik op het tabblad FLIR op Nieuw rapport.
Hiermee opent u de FLIR Report Studio-wizard. Zie paragraaf 9 Infrarood-rapporten maken voor meer informatie.
12.7 Een rapport exporteren
- Klik op Flat DocX: Hiermee exporteert u het rapport als een plat rapport met het achtervoegsel '_flat'. Een plat rapport kan nog steeds worden bewerkt met gewone Microsoft Word-functies, maar het is niet langer mogelijk om de beeld-, veld- en tabelobjecten te beheren.
- PDF: Hiermee exporteert u het rapport als een niet-bewerkbaar PDF-rapport.
Volg deze procedure:
Ga naar het tabblad FLIR en klik in de groep Exporteren op de pijl. Er verschijnt een menu.
Selecteer in het menu de optie Flat DocX of PDF.
12.8 Een rapportsjabloon maken
Volg deze procedure:
Klik op het tabblad FLIR op Nieuwe sjabloon maken.
Hiermee opent u de Template Editor van FLIR Report Studio. Zie paragraaf 13 Rapportsjablonen maken voor meer informatie.
12.9 De instellingen wijzigen
Volg deze procedure:
Klik op het tabblad FLIR op Instellingen. Er verschijnt een menu.
Klik in het menu op Eenheden instellen. Hiermee geeft u een dialoogvenster weer waarin u de eenheden voor temperatuur en afstand kunt instellen. Als er geen eenheid is opgegeven in de rapportsjabloon, wordt standaard of niet ingesteld gemarkeerd.
12.10 Menu Help
13 Rapportsjablonen maken
13.1 Algemeen
13.1.1 Wilt u weinig of veel rapportsjablonen?
13.1.2 Typische structuur
- INTRO: Deze sectie bevat het voorblad van het rapport met bijvoorbeeld het logo van uw bedrijf en andere huisstijlelementen, de titel van het rapport, de naam en het adres van de klant, een samenvattingstabel en eventueel illustraties en andere relevante informatie.
- DATA: Deze sectie bestaat uit een aantal verschillende pagina's die combinaties van objecten voor thermische beelden, digitale beelden, velden, tabellen en dergelijke bevatten. U kunt in uw rapport meerdere DATA-secties met verschillende typen inhoud invoegen, zoals 'Alleen IR', 'Alleen visueel', 'Twee IR' en 'Twee IR+Visueel'.
- SLOT: In deze sectie kunt u uw conclusies, aanbevelingen, diagnosen en samenvattende beschrijvingen opnemen.
13.1.3 Een opmerking over het werken in de Microsoft Word-omgeving
13.2 Een aangepaste infraroodrapportsjabloon maken
- Een basisrapportsjabloon aanpassen.
- Een bestaande rapportsjabloon wijzigen.
13.2.1 Een basisrapportsjabloon aanpassen
Volg deze procedure:
Open een standaardrapportsjabloon door een van de volgende acties uit te voeren:
- Klik op het tabblad FLIR in een Microsoft Word-document op Nieuwe sjabloon maken.
- Klik in het venster Sjabloon in de FLIR Report Studio-wizard op
in het bovenste deel van het middelste deelvenster.
Er wordt een rapportsjabloon met een standaardlay-out geopend, met de secties INTRO, DATA en SLOT.
U kunt meer DATA-secties toevoegen aan de sjabloon. Zie paragraaf 13.2.4 Meerdere DATA-secties toevoegen voor meer informatie.
Plaats inhoud in de rapportsjabloon volgens de instructies in het document. U kunt bestaande functies in Microsoft Word gebruiken en ook objecten toevoegen en verwijderen en de eigenschappen van objecten wijzigen, zoals is beschreven in paragraaf 12.2 Objecten in het rapport beheren.
U kunt een categorie selecteren voor de rapportsjabloon. Als u de rapportsjabloon opslaat, verschijnt deze in de geselecteerde categorie in het linkerdeelvenster van de FLIR Report Studio-wizard. Zie paragraaf 13.2.5 Een sjablooncategorie selecteren voor meer informatie.
Sla de nieuwe infraroodrapportsjabloon op. Gebruik hierbij de bestandsnaamextensie *.dotx.
Klik op OK.
13.2.2 Een bestaande sjabloon wijzigen vanuit de FLIR Word Add-in
Start Microsoft Word, maar zorg dat alle infraroodrapporten gesloten zijn.
Ga naar het tabblad FLIR en klik op de pijl van Nieuwe sjabloon maken. Er verschijnt een menu.
Klik in het menu op Maken op basis van bestaande sjabloon.
Hiermee geeft u het venster Sjabloon selecteren weer.
Selecteer in het linkerdeelvenster de optie Alle sjablonen om alle sjablonen die beschikbaar zijn in FLIR Report Studio, weer te geven.
Klik in het middelste deelvenster op een rapportsjabloon. In het rechterdeelvenster wordt een preview van elke pagina in de geselecteerde rapportsjabloon weergegeven.
Als u de geselecteerde sjabloon wilt bewerken, klikt u onderaan in het venster op OK.
Wijzig de oorspronkelijke sjabloon door objecten toe te voegen of te verwijderen en door de eigenschappen van de objecten te wijzigen, zoals is beschreven in de sectie 12.2 Objecten in het rapport beheren.
U kunt meer DATA-secties toevoegen aan de sjabloon. Zie paragraaf 13.2.4 Meerdere DATA-secties toevoegen voor meer informatie.
U kunt een categorie selecteren voor de rapportsjabloon. Als u de rapportsjabloon opslaat, verschijnt deze in de geselecteerde categorie in het linkerdeelvenster van de FLIR Report Studio-wizard. Zie paragraaf 13.2.5 Een sjablooncategorie selecteren voor meer informatie.
Sla de nieuwe infraroodrapportsjabloon op. Gebruik hierbij de bestandsnaamextensie *.dotx.
13.2.3 Een bestaande sjabloon wijzigen vanuit de FLIR Report Studio-wizard
Start de FLIR Report Studio-wizard.
Selecteer in het linkerdeelvenster de optie Alle sjablonen om alle sjablonen die beschikbaar zijn in FLIR Report Studio, weer te geven.
Klik in het middelste deelvenster op een rapportsjabloon. In het rechterdeelvenster wordt een preview van elke pagina in de geselecteerde rapportsjabloon weergegeven.
Als u wilt doorgaan met de geselecteerde sjabloon, klikt u op in het bovenste gedeelte van het middelste deelvenster.
Wijzig de oorspronkelijke sjabloon door objecten toe te voegen of te verwijderen en door de eigenschappen van de objecten te wijzigen, zoals is beschreven in de sectie 12.2 Objecten in het rapport beheren.
U kunt meer DATA-secties toevoegen aan de sjabloon. Zie paragraaf 13.2.4 Meerdere DATA-secties toevoegen voor meer informatie.
U kunt een categorie selecteren voor de rapportsjabloon. Als u de rapportsjabloon opslaat, verschijnt deze in de geselecteerde categorie in het linkerdeelvenster van de FLIR Report Studio-wizard. Zie paragraaf 13.2.5 Een sjablooncategorie selecteren voor meer informatie.
Sla de nieuwe infraroodrapportsjabloon op. Gebruik hierbij de bestandsnaamextensie *.dotx.
13.2.4 Meerdere DATA-secties toevoegen
Volg deze procedure:
Klik in het FLIR Taakvenster met de rechtermuisknop op de DATA-sectie en selecteer Sjabloononderdeel toevoegen.
Geef in het dialoogvenster Sjabloononderdeel invoegen de naam op van de nieuwe sectie.
Zodra u klaar bent, klikt u op OK.
Als u de volgorde van de DATA-secties wilt wijzigen, kunt u secties slepen en op een andere plaats neerzetten in het FLIR Taakvenster.
Voeg aan elke DATA-sectie objecten toe voor thermische en/of digitale beelden, velden, tabellen enzovoort toe. Zie paragraaf 12.2 Objecten in het rapport beheren voor meer informatie.
13.2.5 Een sjablooncategorie selecteren
Volg deze procedure:
Klik op het tabblad FLIR op de pijl van Instellingen. Er verschijnt een menu. Selecteer in het menu de optie Sjablooncategorieën selecteren.
Klik in het dialoogvenster Sjablooncategorieën selecteren op de knop Standaard maken. Als u een nieuwe categorie wilt maken, klikt u op de knop Toevoegen.
Selecteer één of meer categorieën.
Zodra u klaar bent, klikt u op OK.
14 Ondersteunde bestandsformaten
14.1 Radiometrische bestandsformaten
- FLIR Systems radiometrisch *.jpg.
14.2 Niet-radiometrische bestandsformaten
- *.jpg.
- *.mp4 (videobestanden).
- *.avi (videobestanden).
- *.pdf (rapporten).
- *.docx (als rapporten).
- *.dotx (als sjablonen).
15 Software-update
15.1 Algemeen
15.2 Procedure
Volg deze procedure:
U hebt de volgende opties:
- In de FLIR Report Studio-wizard: selecteer in het menu Help de optie Check for updates.
- In een Microsoft Word-document: klik op het tabblad FLIR op de pijl van Instellingen. Er verschijnt een menu. Selecteer in dit menu de opties Help > Check for updates.
Het dialoogvenster Check for updates verschijnt.
Volg de instructies op het scherm.
16 Over FLIR Systems
- Extech Instruments (2007)
- Ifara Tecnologías (2008)
- Salvador Imaging (2009)
- OmniTech Partners (2009)
- Directed Perception (2009)
- Raymarine (2010)
- ICx Technologies (2010)
- TackTick Marine Digital Instruments (2011)
- Aerius Photonics (2011)
- Lorex Technology (2012)
- Traficon (2012)
- MARSS (2013)
- DigitalOptics divisie micro-optiek (2013)
- DVTEL (2015)
- Point Grey Research (2016)
- Prox Dynamics (2016)

Figuur 16.1 Patent documenten van begin jaren zestig
16.1 Meer dan zomaar een infraroodcamera
16.2 Verspreiden van onze kennis
16.3 Het ondersteunen van onze klanten
17 Termen, wetten en definities
|
Term |
Definitie |
|---|---|
|
Absorptie en emissie1
|
De capaciteit of het vermogen van een object om incidentele stralingsenergie te absorberen is altijd gelijk aan het vermogen
om zijn eigen energie als straling uit te zenden
|
|
Behoud van energie2
|
De som van de totale energie in een gesloten systeem is constant
|
|
Convectie
|
Een warmteoverdrachtmodus waarbij een vloeistof in beweging wordt gebracht, door zwaartekracht of een andere kracht, en warmte
van de ene naar de andere plaats overdraagt
|
|
Diagnose
|
Onderzoek van symptomen en syndromen om de aard van storingen of defecten te bepalen3
|
|
Emissiegraad
|
Verhouding tussen de kracht van de straling van werkelijke objecten, en de kracht van de straling van een blackbody met dezelfde
temperatuur en dezelfde golflengte4
|
|
Geleiding
|
Directe overdracht van thermische energie van molecuul op molecuul, veroorzaakt door botsingen van de moleculen
|
|
Gereflecteerde gevoelstemperatuur
|
De schijnbare temperatuur van de omgeving, die door het doel wordt gereflecteerd in de IR-camera5
|
|
Incidentele straling
|
Straling die op een object valt, afkomstig uit de omgeving van het object
|
|
IR-warmtebeeldvorming
|
Proces van acquisitie en analyse van thermische informatie door middel van contactloze warmtebeeldapparatuur
|
|
Isotherm
|
Vervangt bepaalde kleuren in de schaal door een contrasterende kleur. Markeert een interval van gelijke schijnbare temperatuur6
|
|
Kleurpalet
|
Wijst verschillende kleuren toe om specifieke niveaus van schijnbare temperaturen aan te geven. Kleurpaletten kunnen een hoog
of laag contrast hebben, afhankelijk van de gebruikte kleuren
|
|
Kwalitatieve warmtebeeldvorming
|
Warmtebeeldvorming die vertrouwt op de analyse van thermische patronen voor het bepalen van het bestaan en de locatie van
afwijkingen7
|
|
Kwantitatieve warmtebeeldvorming
|
Warmtebeeldvorming die gebruikmaakt van temperatuurmeting om de ernst van een afwijking te bepalen, voor het vaststellen van
reparatieprioriteiten8
|
|
Opgevangen straling
|
straling die de oppervlakte van een object verlaat, ongeacht de oorspronkelijke bron ervan
|
|
Richting van warmtestroom9
|
Warmte stroomt spontaan van warmere naar koudere plaatsen, waardoor thermische energie wordt overdragen van de ene plaats
naar een andere10
|
|
Ruimtelijke resolutie
|
Het vermogen van een IR-camera om kleine objecten of details weer te geven
|
|
Schijnbare temperatuur
|
Ongecompenseerde meetwaarde van een infraroodinstrument, dat alle straling op het instrument omvat, ongeacht de bronnen van
de straling11
|
|
Stralingswarmteoverdracht
|
Warmteoverdracht door de emissie en absorptie van thermische straling
|
|
Temperatuur
|
Meting van de gemiddelde kinetische energie van de moleculen en atomen waaruit de substantie bestaat
|
|
Thermische afstemming
|
Het proces van het plaatsen van de kleuren van het beeld op het geanalyseerde object, voor het maximaliseren van het contrast
|
|
Thermische energie
|
De totale kinetische energie van de moleculen waaruit het object bestaat12
|
|
Thermische gradiënt
|
De geleidelijke temperatuurverandering over afstand13
|
|
Warmte
|
Thermische energie die tussen twee objecten (systemen) wordt overdragen door hun onderlinge temperatuurverschil
|
|
Warmteoverdrachtsverhouding14
|
De warmteoverdracht onder stabiele omstandigheden is evenredig met de thermische geleidendheid van het object, de diameter
van het object waardoorheen de warmte stroomt, en het temperatuurverschil tussen de twee uiteinden van het object. De warmteoverdracht
is omgekeerd evenredig aan de lengte of dikte van het object15
|
18 Thermografische meettechnieken
18.1 Inleiding
- De emissiegraad van het object
- De gereflecteerde gevoelstemperatuur
- De afstand tussen het object en de camera
- De relatieve luchtvochtigheid
- Temperatuur van de atmosfeer
18.2 Emissiegraad
18.2.1 De emissiegraad van een proef bepalen
18.2.1.1 Stap 1: Het bepalen van de gereflecteerde gevoelstemperatuur
18.2.1.1.1 Methode 1: Directe methode
- Zoek naar mogelijke reflectiebronnen, in aanmerking genomen dat de hoek van inval = reflectiehoek (a = b).
Figuur 18.1 1 = Reflectiebron
- Als de reflectiebron een puntbron is, past u de bron aan door deze te blokkeren met een stuk karton.
Figuur 18.2 1 = Reflectiebron
- Meet de stralingsintensiteit (= gevoelstemperatuur) vanuit de reflecterende bron. Gebruik de volgende instellingen:
- Emissiegraad: 1.0
- Dobj: 0
U kunt de stralingsintensiteit meten met behulp van een van de twee volgende methoden:
18.2.1.1.2 Methode 2: Reflectormethode
- Maak een prop van een groot stuk aluminiumfolie.
- Strijk de aluminiumfolie weer glad en zet deze vast op een stuk karton van dezelfde grootte.
- Plaats dit karton voor het object dat u wilt gaan meten. Zorg ervoor dat de kant met het aluminiumfolie naar de camera wijst.
- Stel de emissiegraad in op 1,0.
- Meet de gevoelstemperatuur van het aluminiumfolie en noteer deze waarde. De folie wordt beschouwd als een perfecte reflector,
zodat de schijnbare temperatuur ervan gelijk is aan de gereflecteerde schijnbare temperatuur van de omgeving.
Figuur 18.5 Het meten van de gevoelstemperatuur van het aluminiumfolie.
18.2.1.2 Stap 2: Het bepalen van de emissiegraad
- Selecteer een plaats om de proef neer te zetten.
- Bepaal de gereflecteerde gevoelstemperatuur volgens de voorgaande procedure en stel deze in.
- Plaats een stuk elektrische tape met een bekende hoge emissiegraad op de proef.
- Verhit de proef tot minimaal 20 K boven kamertemperatuur. Het verhitten dient redelijk gelijkmatig plaats te vinden.
- Focus de camera, pas deze automatisch aan en bevries het beeld.
- Stel Niveau en Bereik af voor een beeld met optimale helderheid en contrast.
- Stel de emissiegraad in op die van de tape (meestal 0,97).
- Meet de temperatuur van de tape met behulp van een van de volgende meetfuncties:
- Isotherm (helpt u bij het bepalen van zowel de temperatuur als de gelijkmatigheid waarmee u de proef hebt verhit)
- Punt (eenvoudiger)
- VakGem. (geschikt voor oppervlakken met een variërende emissiegraad).
- Noteer de temperatuur.
- Verplaats uw meetfunctie naar het oppervlak van de proef.
- Wijzig de instelling van de emissiegraad totdat u dezelfde temperatuur afleest als bij uw vorige meting.
- Noteer de emissiegraad.
18.3 Gereflecteerde gevoelstemperatuur
18.4 Afstand
- Dat straling van het object door de atmosfeer tussen het object en de camera wordt geabsorbeerd.
- De straling van de atmosfeer zelf door de camera wordt gedetecteerd.
18.5 Relatieve luchtvochtigheid
18.6 Overige parameters
- Atmosferische temperatuur, dat wil zeggen: de temperatuur van de atmosfeer tussen de camera en het doel
- Temperatuur externe optiek, dat wil zeggen: de temperatuur van alle externe lenzen of vensters die worden gebruikt voor de camera
- Externe optiektransmissie – dat wil zeggen: de transmissie van alle externe lenzen of vensters die worden gebruikt voor de camera
19 Geschiedenis van infraroodtechnologie

Figuur 19.1 Sir William Herschel (1738–1822)

Figuur 19.2 Marsilio Landriani (1746–1815)

Figuur 19.3 Macedonio Melloni (1798–1854)

Figuur 19.4 Samuel P. Langley (1834–1906)
20 Theorie van de thermografie
20.1 Inleiding
20.2 Het elektromagnetische spectrum

Figuur 20.1 Het elektromagnetische spectrum. 1: Röntgen; 2: UV; 3: Zichtbaar; 4: IR; 5: Microgolven; 6: Radiogolven.
20.3 Straling van een blackbody

Figuur 20.2 Gustav Robert Kirchhoff (1824–1887)
20.3.1 De wet van Planck

Figuur 20.3 Max Planck (1858–1947)
|
Wλb
|
Emittantie spectrale radiant van blackbody bij golflengte λ.
|
|
c
|
Snelheid van het licht = 3 × 108 m/s
|
|
h
|
Constante van Planck = 6,6 × 10-34 Joule sec.
|
|
k
|
Constante van Boltzmann = 1,4 × 10-23 Joule/K.
|
|
T
|
Absolute temperatuur (K) van een blackbody.
|
|
λ
|
Golflengte (μm).
|

Figuur 20.4 Emittantie van spectrale radiant van blackbody volgens de wet van Planck, uitgezet voor verschillende absolute temperaturen. 1: Emittantie spectrale radiant (W/cm2 × 103(μm)); 2: Golflengte (μm)
20.3.2 Verschuivingswet van Wien

Figuur 20.5 Wilhelm Wien (1864–1928)

Figuur 20.6 De curven van Planck uitgezet op semi-logschalen van 100 K tot 1000 K. De stippellijn vertegenwoordigt de puntenverzameling van de maximale radiantemittantie bij elke temperatuur zoals beschreven door de verschuivingswet van Wien. 1: Emittantie spectrale radiant (W/cm2 (μm)); 2: Golflengte (μm).
20.3.3 De wet van Stefan-Boltzmann

Figuur 20.7 Josef Stefan (1835–1893) en Ludwig Boltzmann (1844–1906)
20.3.4 Zenders die geen blackbody zijn
- De spectrale absorptie αλ= de verhouding van de spectrale radiantenergie geabsorbeerd door een object ten opzichte van de energie die erop valt.
- De spectrale reflectiecoëfficiënt ρλ = de verhouding van de spectrale radiantenergie gereflecteerd door een object ten opzichte van de energie die erop valt.
- De spectrale transmissie τλ = de verhouding van de spectrale radiantenergie verzonden door een object ten opzichte van de energie die erop valt.
- Een blackbody waarvoor ελ = ε = 1
- Een graybody waarvoor ελ = ε = constant minder dan 1
- Een selectieve radiator, waarvoor ε varieert met de golflengte

Figuur 20.8 Spectrale radiantemittantie van drie soorten radiatoren. 1: Spectrale radiantemittantie; 2: Golflengte; 3: Blackbody; 4: Selectieve radiator; 5: Graybody.

Figuur 20.9 Spectrale emissiegraad van drie soorten radiatoren. 1: Spectrale emissiegraad; 2: Golflengte; 3: Blackbody; 4: Graybody; 5: Selectieve radiator.
20.4 Infrarood semi-transparante materialen
21 De meetformule

Figuur 21.1 Een schematische weergave van de algemene thermografische meetsituatie.1: Omgeving; 2: Object; 3: Atmosfeer; 4: Camera
- Emissie vanuit het object = ετWobj, waarbij ε de emittantie is van het object en τ staat voor de transmissie van de atmosfeer. De objecttemperatuur is Tobj.
- Gereflecteerde emissie van omgevingsbronnen = (1 – ε)τWrefl, waarbij (1 – ε) de reflectiecoëfficiënt is van het object. De omgevingsbronnen hebben de temperatuur Trefl. Aangenomen is dat de temperatuur Trefl gelijk is voor alle stralende oppervlakken binnen de halve bol, gezien vanuit een punt op het oppervlak van het object. Natuurlijk is dat soms een vereenvoudiging van de werkelijkheid. Deze vereenvoudiging is echter noodzakelijk om een werkbare formule te herleiden en er kan, in ieder geval theoretisch, een waarde worden toegekend aan Trefl die een efficiënte temperatuur weergeeft van een complexe omgeving.Merk ook op dat we hebben aangenomen dat de emittantie van de omgeving = 1. Dit is conform de wet van Kirchhoff: alle straling die de omringende oppervlakken raakt, zal uiteindelijk door diezelfde oppervlakken worden geabsorbeerd. Zodoende geldt dat de emittantie = 1. (Merk echter op dat voor dat laatste rekening moet worden gehouden met de complete bol om het object heen.)
- Emissie vanuit de atmosfeer = (1 – τ)τWatm, waarbij (1 – τ) de emittantie van de atmosfeer is. De temperatuur van de atmosfeer is Tatm.
Tabel 21.1 Spanningen
|
Uobj
|
Berekende uitgangsspanning van de camera voor een blackbody met temperatuur Tobj, d.w.z. een spanning die rechtstreeks kan worden omgezet naar de werkelijke gevraagde objecttemperatuur.
|
|
Utot
|
De gemeten uitgangsspanning van de camera voor het betreffende geval.
|
|
Urefl
|
De theoretische uitgangsspanning van de camera voor een blackbody met temperatuur Trefl volgens de kalibratie.
|
|
Uatm
|
De theoretische uitgangsspanning van de camera voor een blackbody met temperatuur Tatm volgens de kalibratie.
|
- de emittantie van het object ε,
- de relatieve vochtigheid,
- Tatm
- de afstand van het object (Dobj)
- de (effectieve) temperatuur van de omgeving van het object of de gereflecteerde omgevingstemperatuur Trefl en
- de temperatuur van de atmosfeer Tatm
- τ = 0,88
- Trefl = +20 °C
- Tatm = +20 °C

Figuur 21.2 Relatieve grootheden van stralingsbronnen onder diverse meetomstandigheden (SW-camera). 1: Objecttemperatuur; 2: Emittantie; Obj: Objectstraling; Refl: Gereflecteerde straling; Atm: atmosferische straling. Vaste parameters: τ = 0,88; Trefl = 20 °C; Tatm = 20 °C.

Figuur 21.3 Relatieve grootheden van stralingsbronnen onder diverse meetomstandigheden (LW-camera). 1: Objecttemperatuur; 2: Emittantie; Obj: Objectstraling; Refl: Gereflecteerde straling; Atm: atmosferische straling. Vaste parameters: τ = 0,88; Trefl = 20 °C; Tatm = 20 °C.
22 Tabellen voor emissiegraad
22.1 Referenties
- Mikaél A. Bramson: Infrared Radiation, A Handbook for Applications, Plenum press, N.Y.
- William L. Wolfe, George J. Zissis: The Infrared Handbook, Office of Naval Research, Department of Navy, Washington, D.C.
- Madding, R. P.: Thermographic Instruments and systems. Madison, Wisconsin: University of Wisconsin – Extension, Department of Engineering and Applied Science.
- William L. Wolfe: Handbook of Military Infrared Technology, Office of Naval Research, Department of Navy, Washington, D.C.
- Jones, Smith, Probert: External thermography of buildings..., Proc. of the Society of Photo-Optical Instrumentation Engineers, vol.110, Industrial and Civil Applications of Infrared Technology, June 1977 London.
- Paljak, Pettersson: Thermography of Buildings, Swedish Building Research Institute, Stockholm 1972.
- Vlcek, J: Determination of emissivity with imaging radiometers and some emissivities at λ = 5 µm. Photogrammetric Engineering and Remote Sensing.
- Kern: Evaluation of infrared emission of clouds and ground as measured by weather satellites, Defence Documentation Center, AD 617 417.
- Öhman, Claes: Emittansmätningar med AGEMA E-Box. Teknisk rapport, AGEMA 1999. (Emittance measurements using AGEMA E-Box. Technical report, AGEMA 1999.)
- Matteï, S., Tang-Kwor, E: Emissivity measurements for Nextel Velvet coating 811-21 between –36°C AND 82°C.
- Lohrengel & Todtenhaupt (1996)
- ITC Technical publication 32.
- ITC Technical publication 29.
- Schuster, Norbert and Kolobrodov, Valentin G. Infrarotthermographie. Berlin: Wiley-VCH, 2000.
22.2 Tabellen
Tabel 22.1 T: Totaal spectrum; SW: 2–5 µm; LW: 8–14 µm, LLW: 6.5–20 µm; 1: Materiaal; 2: Specificatie; 3: Temperatuur in °C; 4: Spectrum; 5: Emissiegraad; 6: Referentie
|
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
|---|---|---|---|---|---|
|
3M type 35
|
Elektrische tape van vinyl (meerdere kleuren)
|
< 80
|
LG
|
≈ 0,96
|
13
|
|
3M type 88
|
Zwarte elektrische tape van vinyl
|
< 105
|
LG
|
≈ 0,96
|
13
|
|
3M type 88
|
Zwarte elektrische tape van vinyl
|
< 105
|
MW
|
< 0,96
|
13
|
|
3M type Super 33+
|
Zwarte elektrische tape van vinyl
|
< 80
|
LG
|
≈ 0,96
|
13
|
|
Aarde
|
droog
|
20
|
T
|
0,92
|
2
|
|
Aarde
|
verzadigd met water
|
20
|
T
|
0,95
|
2
|
|
Aluminium
|
blad, 4 monsters, verschillend gekrast
|
70
|
KG
|
0,05-0,08
|
9
|
|
Aluminium
|
blad, 4 monsters, verschillend gekrast
|
70
|
LG
|
0,03-0,06
|
9
|
|
Aluminium
|
folie
|
27
|
10 µm
|
0,04
|
3
|
|
Aluminium
|
folie
|
27
|
3 µm
|
0,09
|
3
|
|
Aluminium
|
geanodiseerd blad
|
100
|
T
|
0,55
|
2
|
|
Aluminium
|
geanodiseerd, lichtgrijs, mat
|
70
|
KG
|
0,61
|
9
|
|
Aluminium
|
geanodiseerd, lichtgrijs, mat
|
70
|
LG
|
0,97
|
9
|
|
Aluminium
|
geanodiseerd, zwart, mat
|
70
|
KG
|
0,67
|
9
|
|
Aluminium
|
geanodiseerd, zwart, mat
|
70
|
LG
|
0,95
|
9
|
|
Aluminium
|
gedompeld in HNO3, plaat
|
100
|
T
|
0,05
|
4
|
|
Aluminium
|
gegoten, gezandstraald
|
70
|
KG
|
0,47
|
9
|
|
Aluminium
|
gegoten, gezandstraald
|
70
|
LG
|
0,46
|
9
|
|
Aluminium
|
geoxideerd, sterk
|
50-500
|
T
|
0,2-0,3
|
1
|
|
Aluminium
|
gepolijst
|
50–100
|
T
|
0,04-0,06
|
1
|
|
Aluminium
|
gepolijst, blad
|
100
|
T
|
0,05
|
2
|
|
Aluminium
|
gepolijste plaat
|
100
|
T
|
0,05
|
4
|
|
Aluminium
|
geruwd
|
27
|
10 µm
|
0,18
|
3
|
|
Aluminium
|
geruwd
|
27
|
3 µm
|
0,28
|
3
|
|
Aluminium
|
opgedampt
|
20
|
T
|
0,04
|
2
|
|
Aluminium
|
ruw oppervlak
|
20-50
|
T
|
0,06-0,07
|
1
|
|
Aluminium
|
verweerd, zwaar
|
17
|
KG
|
0,83-0,94
|
5
|
|
Aluminium
|
zoals ontvangen, blad
|
100
|
T
|
0,09
|
2
|
|
Aluminium
|
zoals ontvangen, plaat
|
100
|
T
|
0,09
|
4
|
|
Aluminiumbrons
|
20
|
T
|
0,60
|
1
|
|
|
Aluminiumhydroxide
|
poeder
|
T
|
0,28
|
1
|
|
|
Aluminiumoxide
|
actief, poeder
|
T
|
0,46
|
1
|
|
|
Aluminiumoxide
|
zuiver, poeder (alumina)
|
T
|
0,16
|
1
|
|
|
Amaril
|
grof
|
80
|
T
|
0,85
|
1
|
|
Asbest
|
bord
|
20
|
T
|
0,96
|
1
|
|
Asbest
|
lei
|
20
|
T
|
0,96
|
1
|
|
Asbest
|
papier
|
40-400
|
T
|
0,93-0,95
|
1
|
|
Asbest
|
poeder
|
T
|
0,40-0,60
|
1
|
|
|
Asbest
|
stof
|
T
|
0,78
|
1
|
|
|
Asbest
|
vloertegel
|
35
|
KG
|
0,94
|
7
|
|
Asfalt
|
4
|
DLG
|
0,967
|
8
|
|
|
Baksteen
|
alumina
|
17
|
KG
|
0,68
|
5
|
|
Baksteen
|
chamottesteen
|
17
|
KG
|
0,68
|
5
|
|
Baksteen
|
Dinas silica, geglazuurd, ruw
|
1100
|
T
|
0,85
|
1
|
|
Baksteen
|
Dinas silica, ongeglazuurd, ruw
|
1000
|
T
|
0,80
|
1
|
|
Baksteen
|
Dinas silica, vuurvast
|
1000
|
T
|
0,66
|
1
|
|
Baksteen
|
gewoon
|
17
|
KG
|
0,86-0,81
|
5
|
|
Baksteen
|
metselwerk
|
35
|
KG
|
0,94
|
7
|
|
Baksteen
|
metselwerk, gepleisterd
|
20
|
T
|
0,94
|
1
|
|
Baksteen
|
rood, gewoon
|
20
|
T
|
0,93
|
2
|
|
Baksteen
|
rood, ruw
|
20
|
T
|
0,88-0,93
|
1
|
|
Baksteen
|
silica, 95% SiO2
|
1230
|
T
|
0,66
|
1
|
|
Baksteen
|
sillimaniet, 33% SiO2, 64% Al2O3
|
1500
|
T
|
0,29
|
1
|
|
Baksteen
|
vuurvast, korund
|
1000
|
T
|
0,46
|
1
|
|
Baksteen
|
vuurvast, magnesiumhoudend
|
1000-1300
|
T
|
0,38
|
1
|
|
Baksteen
|
vuurvast, sterk stralend
|
500-1000
|
T
|
0,8-0,9
|
1
|
|
Baksteen
|
vuurvast, zwak stralend
|
500-1000
|
T
|
0,65-0,75
|
1
|
|
Baksteen
|
vuurvaste klei
|
1000
|
T
|
0,75
|
1
|
|
Baksteen
|
vuurvaste klei
|
1200
|
T
|
0,59
|
1
|
|
Baksteen
|
vuurvaste klei
|
20
|
T
|
0,85
|
1
|
|
Baksteen
|
watervast
|
17
|
KG
|
0,87
|
5
|
|
Behang
|
licht patroon, lichtgrijs
|
20
|
KG
|
0,85
|
6
|
|
Behang
|
licht patroon, rood
|
20
|
KG
|
0,90
|
6
|
|
Beton
|
20
|
T
|
0,92
|
2
|
|
|
Beton
|
droog
|
36
|
KG
|
0,95
|
7
|
|
Beton
|
ruw
|
17
|
KG
|
0,97
|
5
|
|
Beton
|
voetpad
|
5
|
DLG
|
0,974
|
8
|
|
Brons
|
fosforbrons
|
70
|
KG
|
0,08
|
9
|
|
Brons
|
fosforbrons
|
70
|
LG
|
0,06
|
9
|
|
Brons
|
gepolijst
|
50
|
T
|
0,1
|
1
|
|
Brons
|
poeder
|
T
|
0,76-0,80
|
1
|
|
|
Brons
|
poreus, grof
|
50-150
|
T
|
0,55
|
1
|
|
Chroom
|
gepolijst
|
50
|
T
|
0,10
|
1
|
|
Chroom
|
gepolijst
|
500-1000
|
T
|
0,28-0,38
|
1
|
|
Eboniet
|
T
|
0,89
|
1
|
||
|
Emaille
|
20
|
T
|
0,9
|
1
|
|
|
Emaille
|
lak
|
20
|
T
|
0,85-0,95
|
1
|
|
Geelkoper
|
blad, bewerkt met polijststeen
|
20
|
T
|
0,2
|
1
|
|
Geelkoper
|
blad, gewalst
|
20
|
T
|
0,06
|
1
|
|
Geelkoper
|
geoxideeerd bij 600 °C
|
200-600
|
T
|
0,59-0,61
|
1
|
|
Geelkoper
|
geoxideerd
|
100
|
T
|
0,61
|
2
|
|
Geelkoper
|
geoxideerd
|
70
|
KG
|
0,04-0,09
|
9
|
|
Geelkoper
|
geoxideerd
|
70
|
LG
|
0,03-0,07
|
9
|
|
Geelkoper
|
gepolijst
|
200
|
T
|
0,03
|
1
|
|
Geelkoper
|
gepolijst, sterk
|
100
|
T
|
0,03
|
2
|
|
Geelkoper
|
gewreven met 80-grits polijststeen
|
20
|
T
|
0,20
|
2
|
|
Geelkoper
|
mat, aangeslagen
|
20-350
|
T
|
0,22
|
1
|
|
Gips
|
20
|
T
|
0,8-0,9
|
1
|
|
|
Glasplaat (floatglas)
|
zonder coating
|
20
|
LG
|
0,97
|
14
|
|
Goud
|
gepolijst
|
130
|
T
|
0,018
|
1
|
|
Goud
|
gepolijst, nauwkeurig
|
200-600
|
T
|
0,02-0,03
|
1
|
|
Goud
|
gepolijst, sterk
|
100
|
T
|
0,02
|
2
|
|
Graniet
|
gepolijst
|
20
|
DLG
|
0,849
|
8
|
|
Graniet
|
ruw
|
21
|
DLG
|
0,879
|
8
|
|
Graniet
|
ruw, 4 verschillende monsters
|
70
|
KG
|
0,95-0,97
|
9
|
|
Graniet
|
ruw, 4 verschillende monsters
|
70
|
LG
|
0,77-0,87
|
9
|
|
Hout
|
17
|
KG
|
0,98
|
5
|
|
|
Hout
|
19
|
DLG
|
0,962
|
8
|
|
|
Hout
|
den, 4 verschillende monsters
|
70
|
KG
|
0,67-0,75
|
9
|
|
Hout
|
den, 4 verschillende monsters
|
70
|
LG
|
0,81-0,89
|
9
|
|
Hout
|
gemalen
|
T
|
0,5-0,7
|
1
|
|
|
Hout
|
geschaafd
|
20
|
T
|
0,8-0,9
|
1
|
|
Hout
|
geschaafd eiken
|
20
|
T
|
0,90
|
2
|
|
Hout
|
geschaafd eiken
|
70
|
KG
|
0,77
|
9
|
|
Hout
|
geschaafd eiken
|
70
|
LG
|
0,88
|
9
|
|
Hout
|
triplex, glad, droog
|
36
|
KG
|
0,82
|
7
|
|
Hout
|
triplex, onbehandeld
|
20
|
KG
|
0,83
|
6
|
|
Hout
|
wit, vochtig
|
20
|
T
|
0,7-0,8
|
1
|
|
Huid
|
menselijk
|
32
|
T
|
0,98
|
2
|
|
IJs: zie Water
|
|||||
|
IJzer en staal
|
bedekt met rode roest
|
20
|
T
|
0,61-0,85
|
1
|
|
IJzer en staal
|
elektrolytisch
|
100
|
T
|
0,05
|
4
|
|
IJzer en staal
|
elektrolytisch
|
22
|
T
|
0,05
|
4
|
|
IJzer en staal
|
elektrolytisch
|
260
|
T
|
0,07
|
4
|
|
IJzer en staal
|
elektrolytisch, nauwkeurig gepolijst
|
175-225
|
T
|
0,05-0,06
|
1
|
|
IJzer en staal
|
geoxideerd
|
100
|
T
|
0,74
|
4
|
|
IJzer en staal
|
geoxideerd
|
100
|
T
|
0,74
|
1
|
|
IJzer en staal
|
geoxideerd
|
1227
|
T
|
0,89
|
4
|
|
IJzer en staal
|
geoxideerd
|
125-525
|
T
|
0,78-0,82
|
1
|
|
IJzer en staal
|
geoxideerd
|
200
|
T
|
0,79
|
2
|
|
IJzer en staal
|
geoxideerd
|
200-600
|
T
|
0,80
|
1
|
|
IJzer en staal
|
gepolijst
|
100
|
T
|
0,07
|
2
|
|
IJzer en staal
|
gepolijst
|
400-1000
|
T
|
0,14-0,38
|
1
|
|
IJzer en staal
|
gepolijst, blad
|
750-1050
|
T
|
0,52-0,56
|
1
|
|
IJzer en staal
|
geroest, zwaar
|
17
|
KG
|
0,96
|
5
|
|
IJzer en staal
|
geslepen blad
|
950-1100
|
T
|
0,55-0,61
|
1
|
|
IJzer en staal
|
gesmeed, nauwkeurig gepolijst
|
40-250
|
T
|
0,28
|
1
|
|
IJzer en staal
|
gewalst blad
|
50
|
T
|
0,56
|
1
|
|
IJzer en staal
|
gewalst, vers
|
20
|
T
|
0,24
|
1
|
|
IJzer en staal
|
glanzend, geëtst
|
150
|
T
|
0,16
|
1
|
|
IJzer en staal
|
glanzende oxidelaag, blad
|
20
|
T
|
0,82
|
1
|
|
IJzer en staal
|
heet gewalst
|
130
|
T
|
0,60
|
1
|
|
IJzer en staal
|
heet gewalst
|
20
|
T
|
0,77
|
1
|
|
IJzer en staal
|
koud gewalst
|
70
|
KG
|
0,20
|
9
|
|
IJzer en staal
|
koud gewalst
|
70
|
LG
|
0,09
|
9
|
|
IJzer en staal
|
net bewerkt met polijststeen
|
20
|
T
|
0,24
|
1
|
|
IJzer en staal
|
roestig, rood
|
20
|
T
|
0,69
|
1
|
|
IJzer en staal
|
rood geroest, blad
|
22
|
T
|
0,69
|
4
|
|
IJzer en staal
|
ruw, vlak oppervlak
|
50
|
T
|
0,95-0,98
|
1
|
|
IJzer en staal
|
sterk geoxideerd
|
50
|
T
|
0,88
|
1
|
|
IJzer en staal
|
sterk geoxideerd
|
500
|
T
|
0,98
|
1
|
|
IJzer en staal
|
zwaar geroest blad
|
20
|
T
|
0,69
|
2
|
|
IJzer gegalvaniseerd
|
blad
|
92
|
T
|
0,07
|
4
|
|
IJzer gegalvaniseerd
|
blad, geoxideerd
|
20
|
T
|
0,28
|
1
|
|
IJzer gegalvaniseerd
|
blad, gepolijst
|
30
|
T
|
0,23
|
1
|
|
IJzer gegalvaniseerd
|
zwaar geoxideerd
|
70
|
KG
|
0,64
|
9
|
|
IJzer gegalvaniseerd
|
zwaar geoxideerd
|
70
|
LG
|
0,85
|
9
|
|
IJzer vertind
|
blad
|
24
|
T
|
0,064
|
4
|
|
IJzer, gegoten
|
geoxideeerd bij 600 °C
|
200-600
|
T
|
0,64-0,78
|
1
|
|
IJzer, gegoten
|
geoxideerd
|
100
|
T
|
0,64
|
2
|
|
IJzer, gegoten
|
geoxideerd
|
260
|
T
|
0,66
|
4
|
|
IJzer, gegoten
|
geoxideerd
|
38
|
T
|
0,63
|
4
|
|
IJzer, gegoten
|
geoxideerd
|
538
|
T
|
0,76
|
4
|
|
IJzer, gegoten
|
gepolijst
|
200
|
T
|
0,21
|
1
|
|
IJzer, gegoten
|
gepolijst
|
38
|
T
|
0,21
|
4
|
|
IJzer, gegoten
|
gepolijst
|
40
|
T
|
0,21
|
2
|
|
IJzer, gegoten
|
gietblok
|
1000
|
T
|
0,95
|
1
|
|
IJzer, gegoten
|
gietstuk
|
50
|
T
|
0,81
|
1
|
|
IJzer, gegoten
|
machinaal bewerkt
|
800-1000
|
T
|
0,60-0,70
|
1
|
|
IJzer, gegoten
|
onbewerkt
|
900-1100
|
T
|
0,87-0,95
|
1
|
|
IJzer, gegoten
|
vloeibaar
|
1300
|
T
|
0,28
|
1
|
|
Kalk
|
T
|
0,3-0,4
|
1
|
||
|
Klei
|
gebakken
|
70
|
T
|
0,91
|
1
|
|
Koolstof
|
grafiet, gevijld oppervlak
|
20
|
T
|
0,98
|
2
|
|
Koolstof
|
grafietpoeder
|
T
|
0,97
|
1
|
|
|
Koolstof
|
houtskoolpoeder
|
T
|
0,96
|
1
|
|
|
Koolstof
|
kaarsenroet
|
20
|
T
|
0,95
|
2
|
|
Koolstof
|
lampzwart
|
20-400
|
T
|
0,95-0,97
|
1
|
|
Koper
|
elektrolytisch, gepolijst
|
-34
|
T
|
0,006
|
4
|
|
Koper
|
elektrolytisch, nauwkeurig gepolijst
|
80
|
T
|
0,018
|
1
|
|
Koper
|
gegoten
|
1100-1300
|
T
|
0,13-0,15
|
1
|
|
Koper
|
geoxideerd
|
50
|
T
|
0,6-0,7
|
1
|
|
Koper
|
geoxideerd tot zwartheid
|
T
|
0,88
|
1
|
|
|
Koper
|
geoxideerd, zwaar
|
20
|
T
|
0,78
|
2
|
|
Koper
|
geoxideerd, zwart
|
27
|
T
|
0,78
|
4
|
|
Koper
|
gepolijst
|
50–100
|
T
|
0,02
|
1
|
|
Koper
|
gepolijst
|
100
|
T
|
0,03
|
2
|
|
Koper
|
gepolijst, mechanisch
|
22
|
T
|
0,015
|
4
|
|
Koper
|
gepolijst, voor de handel
|
27
|
T
|
0,03
|
4
|
|
Koper
|
geschuurd
|
27
|
T
|
0,07
|
4
|
|
Koper
|
voor de handel, gepolijst
|
20
|
T
|
0,07
|
1
|
|
Koper
|
zuiver, nauwkeurig voorbereid oppervlak
|
22
|
T
|
0,008
|
4
|
|
Koperdioxide
|
poeder
|
T
|
0,84
|
1
|
|
|
Koperoxide
|
rood, poeder
|
T
|
0,70
|
1
|
|
|
Krylon Ultra-flat black 1602
|
Flat black
|
Kamertemperatuur tot 175
|
LG
|
≈ 0,96
|
12
|
|
Krylon Ultra-flat black 1602
|
Flat black
|
Kamertemperatuur tot 175
|
MW
|
≈ 0,97
|
12
|
|
Lak
|
3 kleuren gesproeid op aluminium
|
70
|
KG
|
0,50-0,53
|
9
|
|
Lak
|
3 kleuren gesproeid op aluminium
|
70
|
LG
|
0,92-0,94
|
9
|
|
Lak
|
Aluminium op ruw oppervlak
|
20
|
T
|
0,4
|
1
|
|
Lak
|
bakeliet
|
80
|
T
|
0,83
|
1
|
|
Lak
|
hittebestendig
|
100
|
T
|
0,92
|
1
|
|
Lak
|
wit
|
100
|
T
|
0,92
|
2
|
|
Lak
|
wit
|
40–100
|
T
|
0,8-0,95
|
1
|
|
Lak
|
zwart, glanzend, op ijzer gespoten
|
20
|
T
|
0,87
|
1
|
|
Lak
|
zwart, mat
|
100
|
T
|
0,97
|
2
|
|
Lak
|
zwart, mat
|
40–100
|
T
|
0,96-0,98
|
1
|
|
Leer
|
gelooid
|
T
|
0,75-0,80
|
1
|
|
|
Lood
|
geoxideeerd bij 200°C
|
200
|
T
|
0,63
|
1
|
|
Lood
|
geoxideerd, grijs
|
20
|
T
|
0,28
|
1
|
|
Lood
|
geoxideerd, grijs
|
22
|
T
|
0,28
|
4
|
|
Lood
|
glanzend
|
250
|
T
|
0,08
|
1
|
|
Lood
|
niet geoxideerd, gepolijst
|
100
|
T
|
0,05
|
4
|
|
Loodrood
|
100
|
T
|
0,93
|
4
|
|
|
Loodrood, poeder
|
100
|
T
|
0,93
|
1
|
|
|
Magnesium
|
22
|
T
|
0,07
|
4
|
|
|
Magnesium
|
260
|
T
|
0,13
|
4
|
|
|
Magnesium
|
538
|
T
|
0,18
|
4
|
|
|
Magnesium
|
gepolijst
|
20
|
T
|
0,07
|
2
|
|
Magnesiumpoeder
|
T
|
0,86
|
1
|
||
|
Molybdeen
|
1500-2200
|
T
|
0,19-0,26
|
1
|
|
|
Molybdeen
|
600-1000
|
T
|
0,08-0,13
|
1
|
|
|
Molybdeen
|
vezel
|
700-2500
|
T
|
0,1-0,3
|
1
|
|
Mortel
|
17
|
KG
|
0,87
|
5
|
|
|
Mortel
|
droog
|
36
|
KG
|
0,94
|
7
|
|
Nextel Velvet 811-21 Black
|
Flat black
|
-60-150
|
LG
|
> 0.97
|
10 en 11
|
|
Nikkel
|
draad
|
200-1000
|
T
|
0,1-0,2
|
1
|
|
Nikkel
|
elektrolytisch
|
22
|
T
|
0,04
|
4
|
|
Nikkel
|
elektrolytisch
|
260
|
T
|
0,07
|
4
|
|
Nikkel
|
elektrolytisch
|
38
|
T
|
0,06
|
4
|
|
Nikkel
|
elektrolytisch
|
538
|
T
|
0,10
|
4
|
|
Nikkel
|
gegalvaniseerd ijzer, gepolijst
|
22
|
T
|
0,045
|
4
|
|
Nikkel
|
gegalvaniseerd ijzer, ongepolijst
|
20
|
T
|
0,11-0,40
|
1
|
|
Nikkel
|
gegalvaniseerd ijzer, ongepolijst
|
22
|
T
|
0,11
|
4
|
|
Nikkel
|
gegalvaniseerd, gepolijst
|
20
|
T
|
0,05
|
2
|
|
Nikkel
|
geoxideeerd bij 600 °C
|
200-600
|
T
|
0,37-0,48
|
1
|
|
Nikkel
|
geoxideerd
|
1227
|
T
|
0,85
|
4
|
|
Nikkel
|
geoxideerd
|
200
|
T
|
0,37
|
2
|
|
Nikkel
|
geoxideerd
|
227
|
T
|
0,37
|
4
|
|
Nikkel
|
gepolijst
|
122
|
T
|
0,045
|
4
|
|
Nikkel
|
heldermat
|
122
|
T
|
0,041
|
4
|
|
Nikkel
|
zuiver, voor de handel, gepolijst
|
100
|
T
|
0,045
|
1
|
|
Nikkel
|
zuiver, voor de handel, gepolijst
|
200-400
|
T
|
0,07-0,09
|
1
|
|
Nikkel/chroom
|
draad, blank
|
50
|
T
|
0,65
|
1
|
|
Nikkel/chroom
|
draad, blank
|
500-1000
|
T
|
0,71-0,79
|
1
|
|
Nikkel/chroom
|
draad, geoxideerd
|
50-500
|
T
|
0,95-0,98
|
1
|
|
Nikkel/chroom
|
gewalst
|
700
|
T
|
0,25
|
1
|
|
Nikkel/chroom
|
gezandstraald
|
700
|
T
|
0,70
|
1
|
|
Nikkeloxide
|
1000-1250
|
T
|
0,75-0,86
|
1
|
|
|
Nikkeloxide
|
500-650
|
T
|
0,52-0,59
|
1
|
|
|
Olie, smering
|
0.025 mm film
|
20
|
T
|
0,27
|
2
|
|
Olie, smering
|
0.050 mm film
|
20
|
T
|
0,46
|
2
|
|
Olie, smering
|
0.125 mm film
|
20
|
T
|
0,72
|
2
|
|
Olie, smering
|
dikke laag
|
20
|
T
|
0,82
|
2
|
|
Olie, smering
|
film op Ni-basis: Alleen op Ni-basis
|
20
|
T
|
0,05
|
2
|
|
OSB
|
onbehandeld
|
20
|
KG
|
0,90
|
6
|
|
Papier
|
4 verschillende kleuren
|
70
|
KG
|
0,68-0,74
|
9
|
|
Papier
|
4 verschillende kleuren
|
70
|
LG
|
0,92-0,94
|
9
|
|
Papier
|
blauw, zwart
|
T
|
0,84
|
1
|
|
|
Papier
|
gecoat met zwarte lak
|
T
|
0,93
|
1
|
|
|
Papier
|
geel
|
T
|
0,72
|
1
|
|
|
Papier
|
groen
|
T
|
0,85
|
1
|
|
|
Papier
|
rood
|
T
|
0,76
|
1
|
|
|
Papier
|
wit
|
20
|
T
|
0,7-0,9
|
1
|
|
Papier
|
wit bankpapier
|
20
|
T
|
0,93
|
2
|
|
Papier
|
wit, drie verschillende soorten glans
|
70
|
KG
|
0,76-0,78
|
9
|
|
Papier
|
wit, drie verschillende soorten glans
|
70
|
LG
|
0,88-0,90
|
9
|
|
Papier
|
zwart
|
T
|
0,90
|
1
|
|
|
Papier
|
zwart, mat
|
T
|
0,94
|
1
|
|
|
Papier
|
zwart, mat
|
70
|
KG
|
0,86
|
9
|
|
Papier
|
zwart, mat
|
70
|
LG
|
0,89
|
9
|
|
Piepschuim
|
isolering
|
37
|
KG
|
0,60
|
7
|
|
Plastic
|
glasvezellaminaat (bedrukte printplaat)
|
70
|
KG
|
0,94
|
9
|
|
Plastic
|
glasvezellaminaat (bedrukte printplaat)
|
70
|
LG
|
0,91
|
9
|
|
Plastic
|
polyurethaan isolatieplaat
|
70
|
LG
|
0,55
|
9
|
|
Plastic
|
polyurethaan isolatieplaat
|
70
|
KG
|
0,29
|
9
|
|
Plastic
|
PVC, plastic vloer, mat, met structuur
|
70
|
KG
|
0,94
|
9
|
|
Plastic
|
PVC, plastic vloer, mat, met structuur
|
70
|
LG
|
0,93
|
9
|
|
Platina
|
100
|
T
|
0,05
|
4
|
|
|
Platina
|
1000-1500
|
T
|
0,14-0,18
|
1
|
|
|
Platina
|
1094
|
T
|
0,18
|
4
|
|
|
Platina
|
17
|
T
|
0,016
|
4
|
|
|
Platina
|
22
|
T
|
0,03
|
4
|
|
|
Platina
|
260
|
T
|
0,06
|
4
|
|
|
Platina
|
538
|
T
|
0,10
|
4
|
|
|
Platina
|
draad
|
1400
|
T
|
0,18
|
1
|
|
Platina
|
draad
|
50-200
|
T
|
0,06-0,07
|
1
|
|
Platina
|
draad
|
500-1000
|
T
|
0,10-0,16
|
1
|
|
Platina
|
lint
|
900-1100
|
T
|
0,12-0,17
|
1
|
|
Platina
|
zuiver, gepolijst
|
200-600
|
T
|
0,05-0,10
|
1
|
|
Pleister
|
17
|
KG
|
0,86
|
5
|
|
|
Pleister
|
gipsplaat, onbehandeld
|
20
|
KG
|
0,90
|
6
|
|
Pleister
|
ruwe coating
|
20
|
T
|
0,91
|
2
|
|
Porselein
|
geglazuurd
|
20
|
T
|
0,92
|
1
|
|
Porselein
|
wit, glanzend
|
T
|
0,70-0,75
|
1
|
|
|
Roestvrijstaal
|
blad, gepolijst
|
70
|
KG
|
0,18
|
9
|
|
Roestvrijstaal
|
blad, gepolijst
|
70
|
LG
|
0,14
|
9
|
|
Roestvrijstaal
|
blad, onbehandeld, iets gekrast
|
70
|
KG
|
0,30
|
9
|
|
Roestvrijstaal
|
blad, onbehandeld, iets gekrast
|
70
|
LG
|
0,28
|
9
|
|
Roestvrijstaal
|
gewalst
|
700
|
T
|
0,45
|
1
|
|
Roestvrijstaal
|
gezandstraald
|
700
|
T
|
0,70
|
1
|
|
Roestvrijstaal
|
legering, 8% Ni, 18% Cr
|
500
|
T
|
0,35
|
1
|
|
Roestvrijstaal
|
type 18-8, geoxideerd bij 800°C
|
60
|
T
|
0,85
|
2
|
|
Roestvrijstaal
|
type 18-8, gepolijst
|
20
|
T
|
0,16
|
2
|
|
Rubber
|
hard
|
20
|
T
|
0,95
|
1
|
|
Rubber
|
zacht, grijs, ruw
|
20
|
T
|
0,95
|
1
|
|
Sintel
|
boiler
|
0–100
|
T
|
0,97-0,93
|
1
|
|
Sintel
|
boiler
|
1400-1800
|
T
|
0,69-0,67
|
1
|
|
Sintel
|
boiler
|
200-500
|
T
|
0,89-0,78
|
1
|
|
Sintel
|
boiler
|
600-1200
|
T
|
0,76-0,70
|
1
|
|
Sneeuw: zie Water
|
|||||
|
Stof
|
zwart
|
20
|
T
|
0,98
|
1
|
|
Stucco
|
ruw, kalk
|
10-90
|
T
|
0,91
|
1
|
|
Teer
|
T
|
0,79-0,84
|
1
|
||
|
Teer
|
papier
|
20
|
T
|
0,91-0,93
|
1
|
|
Tegel
|
geglazuurd
|
17
|
KG
|
0,94
|
5
|
|
Tin
|
gepolijst
|
20-50
|
T
|
0,04-0,06
|
1
|
|
Tin
|
vertind plaatstaal
|
100
|
T
|
0,07
|
2
|
|
Titaan
|
geoxideeerd bij 540°C
|
1000
|
T
|
0,60
|
1
|
|
Titaan
|
geoxideeerd bij 540°C
|
200
|
T
|
0,40
|
1
|
|
Titaan
|
geoxideeerd bij 540°C
|
500
|
T
|
0,50
|
1
|
|
Titaan
|
gepolijst
|
1000
|
T
|
0,36
|
1
|
|
Titaan
|
gepolijst
|
200
|
T
|
0,15
|
1
|
|
Titaan
|
gepolijst
|
500
|
T
|
0,20
|
1
|
|
Verf
|
8 verschillende kleuren en kwaliteiten
|
70
|
KG
|
0,88-0,96
|
9
|
|
Verf
|
8 verschillende kleuren en kwaliteiten
|
70
|
LG
|
0,92-0,94
|
9
|
|
Verf
|
Aluminium, diverse leeftijden
|
50–100
|
T
|
0,27-0,67
|
1
|
|
Verf
|
cadmiumgeel
|
T
|
0,28-0,33
|
1
|
|
|
Verf
|
chroomgroen
|
T
|
0,65-0,70
|
1
|
|
|
Verf
|
kobaltblauw
|
T
|
0,7-0,8
|
1
|
|
|
Verf
|
olie
|
17
|
KG
|
0,87
|
5
|
|
Verf
|
olie, grijs effen
|
20
|
KG
|
0,97
|
6
|
|
Verf
|
olie, grijs glanzend
|
20
|
KG
|
0,96
|
6
|
|
Verf
|
olie, verschillende kleuren
|
100
|
T
|
0,92-0,96
|
1
|
|
Verf
|
olie, zwart effen
|
20
|
KG
|
0,94
|
6
|
|
Verf
|
olie, zwart glanzend
|
20
|
KG
|
0,92
|
6
|
|
Verf
|
op oliebasis, gemiddeld 16 kleuren
|
100
|
T
|
0,94
|
2
|
|
Verf
|
plastic, wit
|
20
|
KG
|
0,84
|
6
|
|
Verf
|
plastic, zwart
|
20
|
KG
|
0,95
|
6
|
|
Vernis
|
op eiken parketvloer
|
70
|
KG
|
0,90
|
9
|
|
Vernis
|
op eiken parketvloer
|
70
|
LG
|
0,90-0,93
|
9
|
|
Vernis
|
plat
|
20
|
KG
|
0,93
|
6
|
|
Vezelplaat
|
hard, onbehandeld
|
20
|
KG
|
0,85
|
6
|
|
Vezelplaat
|
masoniet
|
70
|
KG
|
0,75
|
9
|
|
Vezelplaat
|
masoniet
|
70
|
LG
|
0,88
|
9
|
|
Vezelplaat
|
poreus, onbehandeld
|
20
|
KG
|
0,85
|
6
|
|
Vezelplaat
|
spaanplaat
|
70
|
KG
|
0,77
|
9
|
|
Vezelplaat
|
spaanplaat
|
70
|
LG
|
0,89
|
9
|
|
Water
|
gedestilleerd
|
20
|
T
|
0,96
|
2
|
|
Water
|
ijs, bedekt met zware rijp
|
0
|
T
|
0,98
|
1
|
|
Water
|
ijs, glad
|
-10
|
T
|
0,96
|
2
|
|
Water
|
ijs, glad
|
0
|
T
|
0,97
|
1
|
|
Water
|
laag >0,1 mm dik
|
0–100
|
T
|
0,95-0,98
|
1
|
|
Water
|
rijpkristallen
|
-10
|
T
|
0,98
|
2
|
|
Water
|
sneeuw
|
T
|
0,8
|
1
|
|
|
Water
|
sneeuw
|
-10
|
T
|
0,85
|
2
|
|
Wolfram
|
1500-2200
|
T
|
0,24-0,31
|
1
|
|
|
Wolfram
|
200
|
T
|
0,05
|
1
|
|
|
Wolfram
|
600-1000
|
T
|
0,1-0,16
|
1
|
|
|
Wolfram
|
vezel
|
3300
|
T
|
0,39
|
1
|
|
Zand
|
T
|
0,60
|
1
|
||
|
Zand
|
20
|
T
|
0,90
|
2
|
|
|
Zandsteen
|
gepolijst
|
19
|
DLG
|
0,909
|
8
|
|
Zandsteen
|
ruw
|
19
|
DLG
|
0,935
|
8
|
|
Zilver
|
gepolijst
|
100
|
T
|
0,03
|
2
|
|
Zilver
|
zuiver, gepolijst
|
200-600
|
T
|
0,02-0,03
|
1
|
|
Zink
|
blad
|
50
|
T
|
0,20
|
1
|
|
Zink
|
geoxideeerd bij 400°C
|
400
|
T
|
0,11
|
1
|
|
Zink
|
geoxideerd oppervlak
|
1000-1200
|
T
|
0,50-0,60
|
1
|
|
Zink
|
gepolijst
|
200-300
|
T
|
0,04-0,05
|
1
|
Admin
| Publ. No. | T810197 |
| Release | AD |
| Commit | 45477 |
| Head | 45488 |
| Language | nl-NL |
| Modified | 2017-09-27 |
| Formatted | 2017-09-27 |










































































