Volg deze procedure:
U hebt de volgende opties:
Volg deze procedure:
U hebt de volgende opties:
Volg deze procedure:
Selecteer op de meetwerkbalk het hulpmiddel
(Beeld en metingen draaien). Hiermee geeft u een werkbalk weer.
Klik op een van de volgende knoppen op de werkbalk:
Volg deze procedure:
Selecteer op de meetwerkbalk het hulpmiddel
(Bijsnijden). Hiermee geeft u een rechthoek op het beeld weer.
Selecteer het bijsnijdgebied door de rechthoek te verplaatsen en te vergroten of verkleinen.
Voer in de rechthoek die het bijsnijdgebied aangeeft, één van de volgende acties uit:
Volg deze procedure:
Selecteer op de meetwerkbalk een van de volgende hulpmiddelen:
Klik op de locatie op het beeld waar het meethulpmiddel moet worden geplaatst.
Volg deze procedure:
Selecteer op de meetwerkbalk het hulpmiddel
(Selectie).
Als u een meethulpmiddel wilt verplaatsen, selecteert u het hulpmiddel op het beeld en sleept u het naar een nieuwe positie.
Als u het formaat van een meethulpmiddel wilt wijzigen, selecteert u het hulpmiddel op het beeld en gebruikt u het selectiehulpmiddel om de grepen te slepen die zich op de rand rond het hulpmiddel bevinden.

Volg deze procedure:
Selecteer op de meetwerkbalk het hulpmiddel
(Selectie).
Klik met de rechtermuisknop op het hulpmiddel en selecteer Lokale max/min/gem-markeringen.
In het dialoogvenster dat wordt weergegeven, kunt u markeringen die u wilt toevoegen of verwijderen, respectievelijk in- of uitschakelen.
Klik op OK.
Volg deze procedure:
Voeg een meethulpmiddel in de vorm van een rechthoek of ellips toe. Zie paragraaf 11.5.2 Een meethulpmiddel toevoegen .
Pas de grootte van de rechthoek of ellips aan de grootte van het object aan. Zie paragraaf 11.5.3 Een meethulpmiddel verplaatsen en de afmetingen ervan wijzigen .
Klik met de rechtermuisknop op het hulpmiddel en selecteer Lokale max/min/gem-markeringen. Schakel in het dialoogvenster het selectievakje Oppervlakte in. Hiermee geeft u de berekende oppervlakte weer, die is gebaseerd op de waarde voor afstand in het deelvenster METINGEN.
Als u de waarde voor afstand wilt wijzigen, klikt u op het waardeveld in het deelvenster PARAMETERS, typt u een nieuwe waarde en drukt u op Enter. De opnieuw berekende oppervlakte, die is gebaseerd op de nieuwe waarde voor afstand, wordt in het deelvenster METINGEN weergegeven.
Volg deze procedure:
Voeg een lijnmeethulpmiddel toe. Zie paragraaf 11.5.2 Een meethulpmiddel toevoegen .
Pas de grootte van het lijnmeethulpmiddel aan de grootte van het object aan. Zie paragraaf 11.5.3 Een meethulpmiddel verplaatsen en de afmetingen ervan wijzigen .
Klik met de rechtermuisknop op het hulpmiddel en selecteer Lokale max/min/gem-markeringen. Schakel in het dialoogvenster het selectievakje Lengte in. Hiermee geeft u de berekende lengte weer, die is gebaseerd op de waarde voor afstand in het deelvenster METINGEN.
Als u de waarde voor afstand wilt wijzigen, klikt u op het waardeveld in het deelvenster PARAMETERS, typt u een nieuwe waarde en drukt u op Enter. De opnieuw berekende oppervlakte, die is gebaseerd op de nieuwe waarde voor afstand, wordt in het deelvenster METINGEN weergegeven.
Volg deze procedure:
Selecteer op de meetwerkbalk het hulpmiddel
(Delta toevoegen).
De verschilberekening wordt weergegeven onder METINGEN in het rechterdeelvenster.

Als u de instellingen voor de verschilberekening wilt wijzigen, gaat u als volgt te werk:
Als u de verschilberekening wilt verwijderen, klikt u op
(Verwijderen).
Volg deze procedure:
Selecteer op de meetwerkbalk het hulpmiddel
(Selectie).
Selecteer het meethulpmiddel op het beeld en voer een van de volgende acties uit:
Automatisch
|
Handmatig
|
Automatisch
|
Handmatig
|
Volg deze procedure:
Als u het hoogste niveau van de temperatuurschaal wilt wijzigen, sleept u de bovenste schuifregelaar omhoog of omlaag.
Als u het laagste niveau van de temperatuurschaal wilt wijzigen, sleept u de onderste schuifregelaar omhoog of omlaag.
Volg deze procedure:
Als u het beeld automatisch wilt aanpassen, klikt u op Auto.
Volg deze procedure:
Selecteer op de meetwerkbalk het hulpmiddel
(Gebied voor automatisch aanpassen instellen).
Gebruik het weergegeven hulpmiddel om een gebied te maken. Dit gebied kan worden verplaatst en groter of kleiner worden gemaakt om het aan te passen aan het voor u relevante gebied.

Als u het gebied voor automatisch aanpassen wilt verwijderen, selecteert u het gebied en voert u een van de volgende acties uit:
Volg deze procedure:
Klik met de rechtermuisknop op het beeld en selecteer Kleurverdeling. Er wordt een menu weergegeven.
Selecteer in het menu een van de volgende opties:
|
Kleurenpalet |
Voorbeeld van beeld |
|---|---|
|
Arctisch
|
|
|
Koel
|
|
|
Grijs
|
|
|
IJzer
|
|
|
Lava
|
|
|
Regenboog
|
|
|
Regenboog HC
|
|
|
Warm
|
|
Volg deze procedure:
Selecteer op de meetwerkbalk het hulpmiddel
(Kleur). Er wordt een menu weergegeven.
Klik in het menu op het palet dat u wilt gebruiken.
|
Beeldmodus |
Voorbeeld van beeld |
|---|---|
|
Thermische MSX (multispectrale dynamische beeldverwerking): In deze modus wordt een infraroodbeeld weergegeven waarin de randen van objecten
duidelijker worden weergegeven. De balans tussen het thermische beeld en de foto kan worden aangepast.
|
|
|
Thermisch: In deze modus wordt alleen het infraroodbeeld weergegeven.
|
|
|
Thermische fusie: In deze modus wordt een digitale foto weergegeven waarvan sommige delen in infrarood worden weergegeven, afhankelijk van
de temperatuurlimieten.
|
|
|
Thermische blending: Er wordt een samengevoegd beeld weergegeven waarin een mix van infraroodpixels en digitale fotopixels wordt gebruikt. De
balans tussen het thermische beeld en de foto kan worden aangepast.
|
|
|
Beeld-in-beeld: In deze modus wordt een infraroodbeeld boven op een digitale foto weergegeven.
|
|
|
Digitale camera: In deze modus wordt alleen een digitale foto weergegeven.
|
|
Volg deze procedure:
Selecteer op de beeldmoduswerkbalk een van de volgende opties:
Voor de modi Thermische MSX en Thermische blending geldt: als u de balans tussen het thermische beeld en de foto wilt aanpassen, klikt u op de pijl naast het beeldmoduspictogram en sleept u de schuifregelaar naar links of rechts.
Voor de modus Digitale camera geldt: als u in het beeld de kleuren wilt veranderen in grijstinten, klikt u op de pijl naast het beeldmoduspictogram en schakelt u het desbetreffende selectievakje in.
|
Kleuralarm |
Beeld |
|---|---|
|
Alarm boven
|
|
|
Alarm onder
|
|
|
Alarm interval
|
|
|
Luchtvochtigheidsalarm
|
|
|
Alarm isolatie
|
|
Volg deze procedure:
Selecteer op de meetwerkbalk het hulpmiddel
(Kleur). Er wordt een menu weergegeven.
Selecteer in het menu een van de volgende opties:
Kijk in het rechterdeelvenster wat de parameter Limiet is. Gebieden in de afbeelding met een temperatuur hoger of lager dan deze temperatuur worden gekleurd met de isothermkleur. U kunt deze limiet wijzigen en ook de isothermkleur veranderen in het menu Kleur .
Volg deze procedure:
Selecteer op de meetwerkbalk het hulpmiddel
(Kleur). Er wordt een menu weergegeven.
Selecteer Interval-alarm in het menu.
Kijk in het rechterdeelvenster wat de parameters Bovengrens en Ondergrens zijn. Gebieden in de afbeelding met een temperatuur tussen deze twee temperaturen worden gekleurd met de isothermkleur. U kunt deze limieten wijzigen en ook de isothermkleur veranderen in het menu Kleur menu.
Volg deze procedure:
Selecteer op de meetwerkbalk het hulpmiddel
(Kleur). Er wordt een menu weergegeven.
Selecteer in het menu de optie Luchtvochtigheidsalarm. Afhankelijk van het onderwerp van uw beeld, worden nu bepaalde gebieden gekleurd met een isothermkleur.
Kijk in het rechterdeelvenster wat de parameter Berekende limiet is. Dit is de temperatuur waarbij het risico bestaat op vochtigheid. Als de parameter Limiet rel. vocht. op 100% is ingesteld is dit ook het dauwpunt, d.w.z. de temperatuur waarbij de vochtigheid als vloeibaar water neerslaat.
Volg deze procedure:
Selecteer op de meetwerkbalk het hulpmiddel
(Kleur). Er wordt een menu weergegeven.
Selecteer in het menu de optie Isolatie-alarm. Afhankelijk van het onderwerp van uw beeld, worden nu bepaalde gebieden gekleurd met een isothermkleur.
Kijk in het rechterdeelvenster wat de parameter Berekende isolatie is. Dit is de temperatuur waar het isolatieniveau onder een vooraf ingestelde waarde voor het energielek van het gebouw valt.
Volg deze procedure:
Selecteer op de meetwerkbalk het hulpmiddel
(Kleur). Er wordt een menu weergegeven.
Selecteer in dit menu de optie Aangepast alarm.
Vul in het rechterdeelvenster in wat de volgende parameters zijn:
Volg deze procedure:
Selecteer op de meetwerkbalk het hulpmiddel
(Selectie).
Klik met de rechtermuisknop op het hulpmiddel en selecteer Lokale parameters.
Selecteer Lokale parameters gebruiken in het dialoogvenster.
Voer een waarde in voor een of meer parameters.
Klik op OK.
Volg deze procedure:
Voer onder TEKSTANNOTATIES in het rechterdeelvenster een van de volgende acties uit:
Vul de gewenste labels en waarden in. Zie onderstaande afbeelding voor voorbeelden.
