Volg deze procedure:
Plaats de aanwijzer op de plek waar u het thermische beeld wilt weergeven in het rapport.
Klik op het tabblad FLIR op Thermisch beeld. Hiermee geeft u een tijdelijke aanduiding voor een thermisch beeld weer op de pagina.

Als u een rapport aanpast, kunt u een thermisch beeld openen in de tijdelijke aanduiding. Zie paragraaf 12.2.8 Een beeld vervangen .
Als u een rapportsjabloon maakt, kunt u de tijdelijke aanduiding ongewijzigd laten, zonder een beeld te openen.
Volg deze procedure:
Plaats de aanwijzer op de plek waar u het digitale beeld wilt weergeven in het rapport.
Dubbelklik op het tabblad FLIR op Digitaal beeld.
Als er meer dan één thermisch beeld in het rapport aanwezig is, wordt het dialoogvenster Referentiebeeld kiezen weergegeven. Klik op het thermische beeld waaraan het digitale beeld dat u wilt invoegen, is gekoppeld en klik op OK.

Als er slechts één thermisch beeld in het rapport aanwezig is, wordt het bijbehorende digitale beeld automatisch ingevoegd.
Er wordt een tijdelijke aanduiding voor een digitaal beeld op de pagina weergegeven. Het nummer van de tijdelijke aanduiding verwijst naar het gekoppelde thermische beeld.

Volg deze procedure:
Plaats de aanwijzer op de plek waar u het veldobject wilt weergeven in het rapport.
Klik op het tabblad FLIR. op Veld.
Als er meer dan een beeld in het rapport aanwezig is, wordt het dialoogvenster Referentiebeeld kiezen weergegeven. Klik op het beeld dat u als referentiebeeld wilt gebruiken bij het vullen van het veldobject en klik op OK.

Als er slechts één beeld in het rapport aanwezig is, wordt het veldobject automatisch gekoppeld aan dat beeld.
Het dialoogvenster Veld invoegen wordt weergegeven.

Gebruik de deelvensters GROEP en VELD om de inhoud te selecteren die u in het veldobject wilt weergeven. Er wordt een preview van het veldobject (label en waarde) in het dialoogvenster weergegeven.
U hebt de volgende opties:
Klik op OK.
Het veldobject met de inhoud die u hebt geselecteerd, wordt in het rapport weergegeven.
Volg deze procedure:
Plaats de aanwijzer op de plaats waar u het tabelobject wilt weergeven in het rapport.
Klik op het tabblad FLIR op Tabel.
Als er meer dan één beeld in het rapport aanwezig is, wordt het dialoogvenster Referentiebeeld kiezen weergegeven. Klik op het beeld dat u als referentiebeeld wilt gebruiken bij het vullen van het tabelobject en klik op OK.

Als er slechts één beeld in het rapport aanwezig is, wordt het tabelobject automatisch gekoppeld aan dat beeld.
Het dialoogvenster Tabel invoegen wordt weergegeven.

Gebruik de deelvensters TABEL en TABELITEMS om de inhoud te selecteren die u in het tabelobject wilt weergeven.
Er wordt een structurele preview van de tabel in het dialoogvenster weergegeven. Als u de volgorde van de tabelitems wilt
wijzigen, klikt u op een rij in de preview en klikt u vervolgens op de pijltoets
of
.
U hebt de volgende opties:
Klik op OK.
Het tabelobject met de inhoud die u hebt geselecteerd, wordt in het rapport weergegeven.
Volg deze procedure:
Plaats de aanwijzer op de plaats waar u het tabelobject wilt weergeven in het rapport.
Klik op het tabblad FLIR op Tabel.
Als er meer dan één beeld in het rapport aanwezig is, wordt het dialoogvenster Referentiebeeld kiezen weergegeven. Klik op het beeld dat u als referentiebeeld wilt gebruiken bij het vullen van het tabelobject en klik op OK.

Als er slechts één beeld in het rapport aanwezig is, wordt het tabelobject automatisch gekoppeld aan dat beeld.
Het dialoogvenster Tabel invoegen wordt weergegeven.

Klik op de knop Maken.
Het dialoogvenster Tabel toevoegen/bewerken wordt weergegeven.

Voer in het tekstvak Tabelnaam de naam in van uw tabel.
Gebruik de deelvensters GROEP en VELD om de inhoud te selecteren die u wilt weergeven. Als u een item in de tabel wilt opnemen, voert u een van de volgende acties uit:
Er wordt een structurele preview van de tabel in het dialoogvenster weergegeven. Als u de volgorde van de tabelitems wilt
wijzigen, klikt u op een rij in de preview en klikt u vervolgens op de pijltoets
of
.
Als u een tabelitem wilt verwijderen, voert u een van de volgende acties uit:
Klik op OK.
Het dialoogvenster Tabel invoegen wordt weergegeven. In het deelvenster TABEL wordt uw tabel weergegeven onder Aangepast.

In het dialoogvenster Tabel invoegen kunt u het volgende doen:
U hebt de volgende opties:
Klik op OK.
Het tabelobject met de inhoud die u hebt geselecteerd, wordt in het rapport weergegeven.
Volg deze procedure:
Plaats de aanwijzer op de plaats waar u de samenvattingstabel wilt weergeven in het rapport.
Klik op het tabblad FLIR op de pijl van Tabel. Er verschijnt een menu.
Klik in het menu op Samenvattingstabel.
Het dialoogvenster Samenvattingsvelden kiezen wordt weergegeven.

In het dialoogvenster Samenvattingsvelden kiezen zijn de weergegeven velden de velden die als veldobjecten of items in een tabelobject in het rapport beschikbaar zijn. Als u andere veldobjecten wilt toevoegen, klikt u op Toevoegen. Hiermee geeft u het dialoogvenster Veld invoegen weer.
U kunt bijvoorbeeld het veldobject Paginanummer toevoegen waarin het nummer wordt getoond van de pagina waarop de gegevens worden weergegeven in het rapport. Als u dit wilt doen, selecteert u Bestandsinfo in het deelvenster GROEP, selecteert u Paginanummer in het deelvenster VELD en klikt u op OK.

Selecteer in het dialoogvenster Samenvattingsvelden kiezen de labels die u in het samenvattingstabel-object wilt weergeven.

Als u de volgorde van de tabelitems wilt wijzigen, klikt u op een rij en klikt u vervolgens op de pijltoets
of
.
Klik op OK.
Het samenvattingstabel-object met de door u geselecteerde inhoud wordt in het rapport weergegeven.
Volg deze procedure:
Plaats de aanwijzer op de plaats waar u het rapporteigenschappen-object wilt weergeven in het rapport.
Klik op het tabblad FLIR op Rapporteigenschappen.
Het dialoogvenster Rapporteigenschappen invoegen wordt weergegeven.

In het dialoogvenster Rapporteigenschappen invoegen kunt u het volgende doen:
Klik op OK.
Er wordt een tabel met de door u geselecteerde inhoud in het rapport weergegeven.
U kunt de inhoud van het rapporteigenschappen-object bewerken met de normale Microsoft Word-functies.
Volg deze procedure:
Klik op een thermisch- of digitaal-beeldobject op de rapportpagina.
Klik met de rechtermuisknop op het beeldobject en selecteer Formaat wijzigen.
Sleep een van de grepen van het object om het formaat te wijzigen.

Volg deze procedure:
Selecteer een tabelobject op de rapportpagina.
Klik op het tabblad Hulpmiddelen voor tabellen op de tab Indeling en gebruik de hulpmiddelen om het formaat van de tabel te wijzigen.
Volg deze procedure:
Klik met de rechtermuisknop op een beeldobject en selecteer Beeld vervangen.
Zoek in het dialoogvenster Openen een nieuw beeld en open dit.
Volg deze procedure:
Klik op een beeldobject op de rapportpagina.
Er wordt een label weergegeven boven het beeld. Klik op het label om het hele beeldobject te selecteren.

Druk op de Delete-toets op uw toetsenbord.
Volg deze procedure:
Klik op een veldobject op de rapportpagina.
Er wordt een label weergegeven boven het object. Klik op het label om het hele object te selecteren.
Druk op de Delete-toets op uw toetsenbord.
Volg deze procedure:
Klik op een tabelobject op de rapportpagina.
Ga naar het contextgevoelige Microsoft Word-tabblad Hulpmiddelen voor tabellen, klik op de tab Indeling en klik vervolgens op de knop Verwijderen. Er verschijnt een menu.
Klik in het menu op Tabel verwijderen.
Volg deze procedure:
Als u een beeld wilt bewerken, voert u een van de volgende handelingen uit:
Hiermee opent u de Image Editor van FLIR Report Studio. Zie paragraaf 11 Beelden analyseren en bewerken voor meer informatie.
Voeg in uw rapport thermisch-beeldobject in. Zie paragraaf 12.2.2 Een thermisch-beeldobject invoegen .
Open een beeld in de Image Editor. Zie paragraaf 12.3 Een beeld bewerken .
Voeg twee punten (meethulpmiddelen) toe aan het beeld. Zie paragraaf 11.5.2 Een meethulpmiddel toevoegen .
Klik op het tabblad FLIR op Formulebeheer.
Het dialoogvenster Formulebeheer wordt weergegeven. Klik op de knop Maken.

Het dialoogvenster Formule maken wordt weergegeven. Klik op de knop veld.

Het dialoogvenster Selecteer veld en invoer wordt weergegeven.
Doe het volgende:

Klik in het dialoogvenster Formule maken op de minknop om een wiskundige operator voor aftrekken toe te voegen.
Klik op de knop veld. Herhaal stap 7 voor punt Sp1.
In het dialoogvenster Formule maken wordt nu de formule voor het berekenen van het temperatuurverschil weergegeven met de syntaxis van FLIR Systems .
Voer in het tekstvak Label de tekst in die u samen met de formuleresultaten in het rapport wilt weergeven. Voer in het vak Precisie het aantal decimalen in voor het formuleresultaat.

Klik in het dialoogvenster Formule maken op OK.
Klik in het dialoogvenster Formulebeheer op OK.
De formule voor het berekenen van het temperatuurverschil kan nu worden ingevoegd in de veld- en tabelobjecten in het rapport.
Maak een formule die het temperatuurverschil berekent tussen twee punten. Zie paragraaf 12.4.2 Een eenvoudige formule maken .
Klik op het tabblad FLIR op Formulebeheer.
Het dialoogvenster Formulebeheer wordt weergegeven. Klik op de knop Maken.

Het dialoogvenster Formule maken wordt weergegeven. Klik op de knop IF (ALS).

Het dialoogvenster 'ALS'-formule wordt weergegeven. Klik op de knop Toevoegen....

Er wordt een dialoogvenster weergegeven.
Doe het volgende:

Ga als volgt te werk in het dialoogvenster ‘ALS’-formule:

In het dialoogvenster Formule maken wordt nu de volledige voorwaardelijke formule weergegeven. De twee codereeksen van 10 cijfers na het isgelijkteken vertegenwoordigen de kleuren.
Voer in het tekstvak Label de tekst in die u samen met de formuleresultaten in het rapport wilt weergeven. Voer in het vak Precisie het aantal decimalen in voor het formuleresultaat.

Klik in het dialoogvenster Formule maken op OK.
Klik in het dialoogvenster Formulebeheer op OK.
De voorwaardelijke formule die u hebt gemaakt, kan nu worden ingevoegd in de veld- en tabelobjecten in het rapport. Het resultaat van de formule voor het berekenen van het temperatuurverschil wordt in rood of groen weergegeven, afhankelijk van de gemeten waarden van de twee spotmeters.
Klik op het tabblad FLIR op Formulebeheer.
Het dialoogvenster Formulebeheer wordt weergegeven.

Voer in het dialoogvenster Formulebeheer een van de volgende acties uit:
Start de FLIR Report Studio-wizard. Klik in het middelste deelvenster met de rechtermuisknop op één van de rapportsjablonen en selecteer Bewerken.Hiermee opent u de rapportsjabloon (*.dotx) in Microsoft Word.
Klik op het tabblad Bestand op Info.
Selecteer in het vervolgkeuzemenu Eigenschappen de optie Geavanceerde eigenschappen.
Voer op het tabblad Beknopt uw informatie in in de betreffende tekstvakken.
Klik op het tabblad Aangepast.
Als u een aangepaste eigenschap wilt toevoegen, typt u een naam in het veld Naam. Als u uw aangepaste eigenschappen makkelijk vindbaar wilt maken, kunt u een underscore ( _ ) typen als het eerste teken in de naam van de eigenschap.
Geef het type van de eigenschap op in het veld Type.
U kunt de waarde van de eigenschap opgeven in het veld Waarde.
Klik op Toevoegen om de aangepaste eigenschap toe te voegen aan de lijst met eigenschappen en klik vervolgens op OK .
Sla de infraroodrapportsjabloon op onder een andere bestandsnaam, maar met dezelfde bestandsnaamextensie (*.dotx). U hebt nu beknopte en aangepaste eigenschappen toegevoegd aan uw hernoemde infraroodrapportsjabloon.
Volg deze procedure:
Klik op het tabblad FLIR op Nieuw rapport.
Hiermee opent u de FLIR Report Studio-wizard. Zie paragraaf 9 Infrarood-rapporten maken voor meer informatie.
Volg deze procedure:
Ga naar het tabblad FLIR en klik in de groep Exporteren op de pijl. Er verschijnt een menu.
Selecteer in het menu de optie Flat DocX of PDF.
Volg deze procedure:
Klik op het tabblad FLIR op Nieuwe sjabloon maken.
Hiermee opent u de Template Editor van FLIR Report Studio. Zie paragraaf 13 Rapportsjablonen maken voor meer informatie.
Volg deze procedure:
Klik op het tabblad FLIR op Instellingen. Er verschijnt een menu.
Klik in het menu op Eenheden instellen. Hiermee geeft u een dialoogvenster weer waarin u de eenheden voor temperatuur en afstand kunt instellen. Als er geen eenheid is opgegeven in de rapportsjabloon, wordt standaard of niet ingesteld gemarkeerd.
