14  Afbeeldingen analyseren

14.1  Een meethulpmiddel neerzetten

14.1.1   Algemeen

U kunt één of meerdere meethulpmiddelen op een afbeelding neerzetten,‎ bijvoorbeeld een spotmeter,‎ gebied,‎ cirkel of lijn.

14.1.2   Procedure

14.2  Een meethulpmiddel verplaatsen

14.2.1   Algemeen

Meethulpmiddelen die u hebt neergezet op een afbeelding,‎ kunt u verplaatsen met het selectiehulpmiddel.

14.2.2   Procedure

14.3  De afmetingen van een meethulpmiddel wijzigen

14.3.1   Algemeen

Van de meethulpmiddelen die u hebt neergezet op een afbeelding,‎ bijvoorbeeld een gebied,‎ kunt u de afmetingen wijzigen met het selectiehulpmiddel.

14.3.2   Procedure

14.4  Een meethulpmiddel verwijderen

14.4.1   Algemeen

U kunt meethulpmiddelen verwijderen die u op een afbeelding hebt neergezet.

14.4.2   Procedure

14.5  Lokale markeringen voor een meethulpmiddel aanmaken

14.5.1   Algemeen

Wanneer beelden uit de camera in FLIR Tools worden geïmporteerd,‎ neemt het programma eventuele bestaande markeringen voor een meethulpmiddel in het beeld over. In sommige gevallen is het misschien gewenst om een markering toe te voegen wanneer u het beeld in FLIR Tools analyseert. Dit is mogelijk met behulp van lokale markeringen.

14.5.2   Procedure

14.6  Lokale parameters voor een meethulpmiddel instellen

14.6.1   Algemeen

In bepaalde situaties wilt u wellicht een meetparameter voor slechts één meethulpmiddel wijzigen. De reden hiervoor kan zijn dat het meethulpmiddel zich vóór een oppervlak bevindt dat aanzienlijk meer reflecteert dan andere oppervlakken in het beeld,‎ of dat het zich boven een object bevindt dat verder verwijderd is dan de andere objecten in het beeld,‎ etc.
Zie het gedeelte 24 Thermografische meettechnieken voor meer informatie over objectparameters.

14.6.2   Procedure

14.7  Werken met isothermen

14.7.1   Algemeen

Met de isothermopdracht wijst u een contrasterende kleur toe aan alle pixels met een temperatuur boven,‎ onder of tussen een of meerdere vooraf ingestelde temperatuurniveaus.
Het gebruik van isothermen is een goede methode om afwijkingen in een infraroodafbeelding in een vroeg stadium te ontdekken.

14.7.2  Algemene isothermen instellen ( Bovenliggend ,‎ Onderliggend )‎

14.7.2.1   Algemeen

Een isotherm van het type Bovenliggend en Onderliggend kleurt gebieden met een temperatuur hoger of lager dan een ingestelde temperatuur.

14.7.2.2   Procedure

14.7.3  Algemene isothermen instellen (interval)‎

14.7.3.1   Algemeen

Een isotherm van het type Interval kleurt gebieden met een temperatuur tussen twee ingestelde temperaturen.

14.7.3.2   Procedure

14.7.4  Een vochtigheidsisotherm instellen

14.7.4.1   Algemeen

De vochtigheidsisotherm kan gebieden detecteren waar risico bestaat op schimmelgroei of waar risico bestaat dat vochtigheid als vloeibaar water kan neerslaan (d.w.z. het dauwpunt)‎.

14.7.4.2   Procedure

14.7.5  Een isolatie-isotherm instellen

14.7.5.1   Algemeen

De isolatie-isotherm kan gebieden detecteren waar er sprake kan zijn van isolatiefouten in het gebouw. Dit wordt geactiveerd als het isolatieniveau onder een vooraf ingestelde waarde zakt voor de energie die door de muur lekt,‎ de zogenaamde thermische index.
Verschillende bouwverordeningen bevelen verschillende waarden voor de thermische index aan,‎ maar gebruikelijke waarden zijn 0,‎6–0,‎8 voor nieuwe gebouwen. Raadpleeg voor de aanbevelingen uw nationale bouwverordeningen.

14.7.5.2   Procedure

14.7.6  Een aangepaste isotherm instellen

14.7.6.1   Algemeen

Een aangepaste isotherm kan een van de volgende typen zijn:
  • Bovenliggend .
  • Onderliggend .
  • Interval .
  • Vochtigheid .
  • Isolatie .
Voor deze aangepaste isothermen kunt een aantal verschillende parameters handmatig instellen in vergelijking tot de standaardisothermen:
  • Achtergrond .
  • Kleuren (semi-transparant of effen kleuren)‎.
  • Omgekeerd interval (alleen voor de isotherm Interval )‎.

14.7.6.2   Procedure

14.8  De temperatuurniveaus wijzigen

14.8.1   Algemeen

Aan de onderkant van de infraroodafbeelding ziet u twee schuiven. Door deze schuiven naar links of naar rechts te verslepen,‎ kunt u het bovenste of onderste niveau van de temperatuurschaal wijzigen.

14.8.2  Waarom zou ik de temperatuurniveaus wijzigen?

Wanneer u de temperatuurniveaus handmatig wijzigt,‎ kunt u een temperatuurafwijking analyseren.

14.8.2.1  Voorbeeld 1

Hier ziet u twee infraroodbeelden van een gebouw. In het linker beeld,‎ dat automatisch is aangepast,‎ is een correcte analyse lastig door het grote temperatuurbereik tussen de heldere hemel en het verwarmde gebouw. U kunt het gebouw in groter detail analyseren als u de temperatuurschaal kunt instellen op waarden nabij de temperatuur van het gebouw.
Graphic
Automatisch
Graphic
Handmatig

14.8.2.2  Voorbeeld 2

Hier ziet u twee infraroodbeelden van een isolator in een hoogspanningsleiding. Om de analyse van de temperatuurverschillen in de isolator te vergemakkelijken,‎ is de temperatuurschaal in het rechter beeld ingesteld op waarden nabij de temperatuur van de isolator.
Graphic
Automatisch
Graphic
Handmatig

14.8.3  Het wijzigen van het bovenste niveau

14.8.4  Het wijzigen van het onderste niveau

14.8.5  Het onderste en bovenste niveau gelijktijdig wijzigen

14.9  Pas de afbeelding automatisch aan

14.9.1   Algemeen

U kunt een beeld of een groep beelden automatisch aanpassen. Als u een beeld automatisch aanpast,‎ worden de helderheid en het contrast van het beeld geoptimaliseerd. Dit betekent dat de kleurinformatie over de bestaande temperaturen van het beeld wordt verdeeld.

14.9.2   Procedure

14.10  Bereik van automatische aanpassing definiëren

14.10.1   Algemeen

Wanneer u op de temperatuurschaal of de toets Auto in het beeldvenster klikt,‎ wordt het volledige beeld automatisch aangepast. Dit betekent dat de kleurinformatie over de temperaturen in het beeld wordt verdeeld.
In bepaalde gevallen kan het stilstaande beeld of het videobeeld echter zeer hete of koude zones buiten een voor u relevant gebied bevatten. In dergelijke gevallen wilt u die zones uitsluiten en de kleurinformatie alleen gebruiken voor de temperaturen in het voor u relevante gebied. Hiertoe moet een bereik voor automatische aanpassing worden gedefinieerd.

14.10.2   Procedure

14.11  Kleurverdeling wijzigen

14.11.1   Algemeen

U kunt de kleurverdeling in een beeld wijzigen. Een andere kleurverdeling maakt het wellicht eenvoudiger het beeld beter te analyseren.

14.11.2  Definities

U kunt uit drie verschillende kleurverdelingen kiezen:
  • Histogram equalization: dit is een methode voor het weergeven van beelden waarbij de kleurinformatie wordt verdeeld over de bestaande temperaturen van het beeld. Deze methode van informatiedistributie kan met name succesvol zijn wanneer het beeld maar weinig pieken van zeer hoge temperaturen bevat.
  • Signal linear: dit is een methode voor het weergeven van beelden waarbij de kleurinformatie in het beeld lineair wordt verdeeld over de signaalwaarden van de pixels.
  • Temperature linear: dit is een methode voor het weergeven van beelden waarbij de kleurinformatie in het beeld lineair wordt verdeeld over de temperatuurwaarden van de pixels.

14.11.3   Procedure

14.12  Het palet wijzigen

14.12.1   Algemeen

U kunt het palet wijzigen dat de camera gebruikt om de verschillende temperaturen binnen een afbeelding weer te geven. Met een ander palet is het mogelijk eenvoudiger om de afbeelding te analyseren.

14.12.2   Procedure

14.13  De beeldmodus wijzigen

14.13.1   Algemeen

Voor sommige beelden kunt u de beeldmodus wijzigen. Dit doet u via de werkbalk in het venster beeldbewerking.

14.13.2  Typen beeldmodi

Knop

Beeldmodus

Voorbeeld van beeld

icon
Thermal MSX (Multi Spectral Dynamic Imaging)‎: In deze modus wordt een infraroodopname weergegeven waarbij de randen van objecten versterkt worden weergegeven. Merk op dat het label voor elke zekering duidelijk leesbaar is.
Graphic
icon
Thermal : In deze modus wordt een volledig infraroodbeeld weergegeven.
Graphic
icon
Thermal fusion : In deze modus wordt een digitale foto weergegeven waarvan sommige delen in infrarood worden weergegeven,‎ afhankelijk van de temperatuurlimieten.
Graphic
icon
Picture-in-picture : In deze modus wordt een infraroodbeeld bovenop een digitale foto weergegeven.
Graphic
icon
Digital camera : In deze modus wordt een volledige digitale foto weergegeven.
Graphic

14.14  Exporteren naar CSV

14.14.1   Algemeen

U kunt de inhoud van een beeld exporteren als een matrix van door komma's gescheiden waarden voor verdere analyse in externe software. De bestandsindeling is *.csv en het bestand kan worden geopend in Microsoft Excel.

14.14.2   Procedure

14.15  Een curve maken

14.15.1   Algemeen

Wanneer FLIR Tools/Tools+‎ is aangesloten op een camera die radiometrische streaming ondersteunt,‎ kunt u een plot maken. Een plot geeft weer hoe de resultaten van een of meerdere meethulpmiddelen variëren in tijd.

14.15.2   Procedure

14.16  Oppervlaktes berekenen

14.16.1   Algemeen

De afstand die in de parametergegevens van het beeld is opgenomen,‎ kan worden gebruikt als basis voor oppervlakteberekeningen. Een gangbare toepassing is het schatten van de grootte van een vochtige plek op de muur.
Voor het berekenen van de oppervlakte van een oppervlak moet u een rechthoek- of cirkelmeethulpmiddel aan het beeld toevoegen. FLIR Tools/Tools+‎ berekent de grootte van het oppervlak omsloten door het rechthoek- of cirkelmeethulpmiddel. De berekening is een schatting van de oppervlakte,‎ gebaseerd op de afstandswaarde.

14.16.1.1   Procedure

Volg deze procedure:

14.17  Lengtes berekenen

14.17.1   Algemeen

De afstand die in de parametergegevens van het beeld is opgenomen,‎ kan worden gebruikt als basis voor lengteberekeningen.
Voor het berekenen van de lengte moet u een lijnmeethulpmiddel aan het beeld toevoegen. FLIR Tools/Tools+‎ berekent de lijnlengte bij benadering,‎ op basis van de afstandswaarde.

14.17.1.1   Procedure

Volg deze procedure: