Selecteer in het menu
het menu-item
Een rapportsjabloon maken
. Het dialoogvenster
Nieuw sjabloon
wordt nu geopend.
Typ een naam in voor de sjabloon en klik op OK .
Er wordt een rapportsjabloon met een basisindeling geopend. Volg de instructies in het document om de rapportsjabloon te wijzigen. U kunt de rapportsjabloon ook aanpassen door objecten toe te voegen en te verwijderen, en door de eigenschappen van de objecten te wijzigen, zoals is beschreven in het gedeelte 18.2 Objecten in het rapport beheren .
Sla de nieuwe infraroodrapportsjabloon op. Gebruik hierbij de bestandsnaamextensie *.dotx.
Start Microsoft Word, maar zorg dat alle infraroodrapporten gesloten zijn.
Klik op het tabblad Bestand op Nieuw.
Selecteer onder Beschikbare sjablonen de optie Mijn sjablonen.
Selecteer op het tabblad IR de gewenste infraroodrapportsjabloon. Selecteer onder Nieuwe maken de optie Sjabloon.
Klik op OK .
Om te voorkomen dat de oorspronkelijke sjabloon wordt overschreven, slaat u de sjabloon op met een andere bestandsnaam voordat u wijzigingen aanbrengt. Sla de sjabloon op met de bestandsnaamextensie *.dotx.
Wijzig de oorspronkelijke sjabloon door objecten toe te voegen of te verwijderen, en door de eigenschappen van de objecten te wijzigen, zoals is beschreven in het gedeelte 18.2 Objecten in het rapport beheren .
Sla de nieuwe infraroodrapportsjabloon op. Gebruik hierbij de bestandsnaamextensie *.dotx.
Start Microsoft Word, maar zorg dat alle infraroodrapporten gesloten zijn.
Klik op het tabblad Bestand op Nieuw.
Selecteer onder Beschikbare sjablonen de optie Mijn sjablonen.
Selecteer op het tabblad Persoonlijke sjablonen de optie Leeg document. Selecteer onder Nieuwe maken de optie Sjabloon.
Klik op OK .
Maak uw rapportsjabloon door objecten toe te voegen of te verwijderen, en door de eigenschappen van de objecten te wijzigen, zoals is beschreven in het gedeelte 18.2 Objecten in het rapport beheren .
Sla de nieuwe infraroodrapportsjabloon op. Gebruik hierbij de bestandsnaamextensie *.dotx.
Plaats de cursor op uw sjabloonpagina op de positie waar u het IR Viewer-object of het digitale foto-object wilt weergeven. De tijdelijke aanduidingen worden ingevoegd achter en onder de cursor.
Klik op het tabblad FLIR Tools+ op
(voor een IR Viewer-object) of op
(voor een digitale foto-object). Op de pagina wordt nu een tijdelijke aanduiding weergegeven. Open geen infraroodbeelden
of foto's terwijl u een sjabloon maakt.
Plaats de cursor op uw sjabloonpagina op de positie waar u het IR-profielobject wilt weergeven. Het object wordt ingevoegd achter en onder de cursor.
Klik op het tabblad FLIR Tools+ op
. Op de pagina wordt nu een leeg object weergegeven.
Plaats de cursor op uw sjabloonpagina op de positie waar u het IR-histogramobject wilt weergeven. Het object wordt ingevoegd achter en onder de cursor.
Klik op het tabblad FLIR Tools+ op
. Op de pagina wordt nu een leeg object weergegeven.
Plaats de cursor op uw sjabloonpagina op de positie waar u het IR-trendingobject wilt weergeven. Het object wordt ingevoegd achter en onder de cursor.
Klik op het tabblad FLIR Tools+ op
. Op de pagina wordt nu een leeg object weergegeven en het dialoogvenster
Trending-instellingen
wordt geopend (als het dialoogvenster niet wordt geopend, klikt u met de rechtermuisknop op het object en kiest u
Instellingen
).
Doe op het tabblad Verbinden het volgende:
Doe op het tabblad Algemeen het volgende:
Doe op het tabblad Indicatie het volgende:
Selecteer op het tabblad Kleur de kleuren voor diverse items in het IR-trendingobject.
Selecteer op het tabblad Lijn de kleuren en lijntypen voor de lijnen die worden weergegeven in het IR-trendingobject.
Klik op OK .
Plaats de cursor op uw sjabloonpagina op de positie waar u het veldobject wilt weergeven. Het object wordt ingevoegd achter en onder de cursor.
Als op de pagina meerdere IR Viewer-objecten staan, wordt het dialoogvenster IR-afbeelding selecteren weergegeven. Selecteer aan welk IR Viewer-object het veldobject moet worden gekoppeld en klik op OK.
Als op de pagina slechts één IR Viewer-object staat, wordt het veldobject automatisch gekoppeld aan dat IR Viewer-object.
Klik op het tabblad FLIR Tools+ op
. Het dialoogvenster
Veldinhoud
wordt geopend.
Selecteer de waarden voor Afbeelding of Objectparameters die u wilt weergeven in het veldobject.
Klik op OK .
Het veldobject met de geselecteerde inhoud wordt nu op de pagina weergegeven.
Plaats de cursor op uw sjabloonpagina op de positie waar u het tabelobject wilt weergeven. Het object wordt ingevoegd achter en onder de cursor.
Klik op het tabblad FLIR Tools+ op
. Het dialoogvenster
Inhoud tabel
wordt weergegeven.
Doe het volgende voor elk item dat u in de tabel wilt opnemen:
In het gebied Voorbeeld wordt een structuurvoorbeeld van de tabel weergegeven. Hierin kunt u het volgende doen:
Klik op OK .
Het tabelobject met de geselecteerde inhoud wordt nu op de pagina weergegeven.
Plaats de cursor op uw sjabloonpagina op de positie waar u het overzichtstabelobject wilt weergeven. Het object wordt ingevoegd achter en onder de cursor.
Klik op het tabblad FLIR Tools+ op
. Het dialoogvenster
Overzichtstabel
wordt geopend.
Doe het volgende voor elk item dat u in de overzichtstabel wilt opnemen:
In het gebied Voorbeeld wordt een structuurvoorbeeld weergegeven van de overzichtstabel.
U kunt het label van een item bewerken door op het item te dubbelklikken in het gebied Voorbeeld en een nieuw label te typen.
Klik op OK .
Het overzichtstabelobject met de geselecteerde inhoud wordt nu op de pagina weergegeven.
Selecteer het IR-profielobject op de pagina.
Klik op het tabblad FLIR Tools+ op
. Het dialoogvenster
IR-afbeelding selecteren
wordt geopend.
Selecteer het IR Viewer-object waaraan u het IR-profielobject wilt koppelen.
Klik op OK .
Selecteer op uw sjabloonpagina een IR Viewer-, digitale foto-, IR-profiel-, IR-histogram- of IR-trendingobject.
U wijzigt de afmetingen van het object door een van de grepen te verslepen.
Selecteer op uw sjabloonpagina een tabelobject of overzichtstabelobject.
Selecteer op het contextuele tabblad Microsoft Word de optie Tabelhulpmiddelen, selecteer het tabblad Lay-out en gebruik de regelaars om de afmetingen van de tabel te wijzigen.
Selecteer op uw sjabloonpagina een IR Viewer-, digitale foto-, IR-profiel-, IR-histogram- of IR-trendingobject.
Klik op
om het object te verwijderen.
Selecteer op uw sjabloonpagina een tabelobject of overzichtstabelobject.
Selecteer op het contextuele tabblad Microsoft Word de optie Tabelhulpmiddelen en selecteer het tabblad Lay-out. Klik op de knop Verwijderen en selecteer Tabel verwijderen.
Plaats de cursor links naast het veldobject op uw sjabloonpagina en klik eenmaal met de muis. Het hele veldobject wordt nu geselecteerd.
Druk op het toetsenbord tweemaal op de Delete-toets.
U hebt de volgende opties:
U hebt de volgende opties:
U kunt een hulpmiddel klonen door de Ctrl-toets ingedrukt te houden terwijl u het hulpmiddel verplaatst. Er wordt dan een kloon van het hulpmiddel gemaakt.
Ga op een van de volgende manieren te werk om een hulpmiddel te verwijderen:
Selecteer een IR Viewer-object.
Klik op
om de rasterlijnen in te schakelen.
Klik op het IR Viewer-object buiten het raster (bijvoorbeeld vlakbij de temperatuurschaal) om de werkbalk van het IR Viewer-object weer te geven.
Als u een lijn wilt gebruiken als referentie, klikt u op de werkbalk van het IR Viewer-object op
en plaatst u een lijn in het beeld.
Klik met de rechtermuisknop op het IR Viewer-object en selecteer Instellingen in het snelmenu.
Het dialoogvenster Afbeeldingsinstellingen wordt geopend. Klik op het tabblad Rasterinstellingen .
Stel de rasterafmetingen in op de gewenste waarde.
Klik op een van de optieknoppen en voer een van de volgende handelingen uit:
Klik op OK .
Selecteer
op de werkbalk van het IR Viewer-object en verplaats het raster naar de gewenste positie. U wilt bijvoorbeeld het raster
uitlijnen met bepaalde structuren in het beeld, relevante gebieden, enz.
U kunt het raster vastzetten ten opzichte van het beeld door het selectievakje Rasterpositie vastzetten op het tabblad Rasterinstellingen aan te vinken en vervolgens op OK te klikken.
Voeg in uw document een IR Viewer-object in.
Plaats twee punten in het beeld.
Klik met de rechtermuisknop op het IR Viewer-object en selecteer Formules . Hiermee opent u het dialoogvenster Formule .
Klik op Toevoegen om een dialoogvenster weer te geven waarin u uw nieuwe formule definieert.
Doe het volgende:
Klik op de minknop om een wiskundige operator voor aftrekken toe te voegen.
Doe het volgende:
In het dialoogvenster Formule wordt nu uw formule weergegeven met de FLIR Systems -syntaxis:
Klik op OK om het dialoogvenster Formule te sluiten.
Klik op Sluiten .
Plaats de cursor onder het IR Viewer-object en voeg een tabelobject in. Het dialoogvenster Inhoud tabel wordt geopend.
Doe het volgende:
Het resultaat van de formule wordt nu weergegeven in uw tabelobject.
Herhaal stap 1 t/m 10 van de procedure in het gedeelte 18.2.6.2 Een eenvoudige formule maken .
Klik met de rechtermuisknop op het IR Viewer-object en selecteer Formules .
Doe het volgende:
U gaat nu een voorwaardelijke formule definiëren waarmee het resultaat van de formule Fo1 in de kleur rood wordt weergegeven als de waarde hoger is dan 2,0 graden, en in de kleur groen wordt weergegeven als de waarde lager is dan 2,0 graden.
Doe het volgende:
In het dialoogvenster Formule ziet u vervolgens de volledige voorwaardelijke formule. Met de twee codereeksen van 10 cijfers na het gelijkteken (=) wordt de kleur aangegeven.
Klik op OK om het dialoogvenster Formule te sluiten.
Klik op Sluiten .
Plaats de cursor onder het IR Viewer-object. Klik op het tabblad FLIR Tools+ op
. Het dialoogvenster
Veldinhoud
wordt geopend.
Doe het volgende:
Onder uw beeld wordt nu een veldobject ingevoegd en het resultaat van de formule Fo1 wordt weergegeven in rood of groen, afhankelijk van de gemeten waarden van de twee spotmeters.
Voeg een IR Viewer-object in.
Open het dialoogvenster Afbeeldingsfusie door een van de volgende handelingen uit te voeren:
Klik op IR-afbeelding openen en selecteer een infraroodbeeld.
Klik op Foto openen en selecteer de bijbehorende digitale foto.
Definieer in het infraroodbeeld de relevante posities door de drie referentiedradenkruizen naar deze posities te verplaatsen.
Verplaats in de digitale foto de drie referentiedradenkruizen naar de bijbehorende posities.
Selecteer het type technologie voor het samenvoegen van beelden:
Klik op OK om het samengevoegde beeld weer te geven.
In het IR Viewer-object kunt u de exacte positie van de digitale foto in het samengevoegde beeld aanpassen door een of meer van de volgende handelingen uit te voeren:
In het IR Viewer-object kunt u het samenvoegen van beelden regelen met de schuif aan de onderzijde van het IR Viewer-object.
Schuif voor het regelen van het samenvoegen van beelden met de instelling Interval:
Schuif voor het regelen van het samenvoegen van beelden met de instelling Combineren:
Schuif voor het regelen van het samenvoegen van beelden met de instelling Dynamische beeldbewerking met meerdere spectra (MSX):
Sleep de schuif naar links of rechts om het infraroodbeeld samen te voegen met de digitale foto. U kunt ook een van de volgende snelle manieren gebruiken:
Start Microsoft Word en open een van uw infraroodrapportsjablonen (*.dotx). U kunt de rapportsjablonen die bij FLIR Tools+ geleverd zijn zoeken door het volgende pad in te voeren:
C:\Documents and Settings\[uw gebruikersnaam]\Application Data\Microsoft\Templates\IR
Klik op het tabblad Bestand op Info.
Selecteer in het menu Eigenschappen het menu-item Geavanceerde eigenschappen.
Voer op het tabblad Beknopt uw informatie in in de betreffende tekstvakken.
Klik op het tabblad Aangepast.
Als u een aangepaste eigenschap wilt toevoegen, typt u een naam in het veld Naam. Als u uw aangepaste eigenschappen makkelijk vindbaar wilt maken, kunt u een underscore ( _ ) typen als het eerste teken in de naam van de eigenschap.
Geef het type van de eigenschap op in het veld Type.
U kunt de waarde van de eigenschap opgeven in het veld Waarde.
Klik op Toevoegen om de aangepaste eigenschap toe te voegen aan de lijst met eigenschappen en klik vervolgens op OK .
Sla de infraroodrapportsjabloon op onder een andere bestandsnaam, maar met dezelfde bestandsnaamextensie (*.dotx). U hebt nu beknopte en aangepaste eigenschappen toegevoegd aan uw hernoemde infraroodrapportsjabloon.
Volg deze procedure:
Start Microsoft Word en open een van uw infraroodrapportsjablonen (*.dotx). U kunt de rapportsjablonen die bij FLIR Tools+ geleverd zijn zoeken door het volgende pad in te voeren:
C:\Documents and Settings\[uw gebruikersnaam]\Application Data\Microsoft\Templates\IR
Klik op het tabblad Bestand op Info.
Selecteer in het menu Eigenschappen het menu-item Geavanceerde eigenschappen.
Voer op het tabblad Beknopt uw informatie in in de betreffende tekstvakken.
Klik op het tabblad Aangepast.
Selecteer onder Properties FLIR_ReportPropertyPrefix.
Onder Value voert u het voorvoegsel in dat u wilt gebruiken voor uw aangepaste rapporteigenschappen.
Sla het rapportsjabloon op als een *.dotx-bestand.
Plaats in uw infraroodrapport of rapportsjabloon de cursor op de positie waar u het veld wilt invoegen.
Klik op het tabblad Invoegen op Snelonderdelen en selecteer Veld.
Selecteer in het vak Veldnamen de optie DocProperty.
Selecteer een eigenschap in het vak Eigenschap.
Klik op OK .