Volg deze procedure:
Als u een beeld wilt opslaan, drukt u de knop Autofocus/Opslaan volledig in.
Volg deze procedure:
Druk de knop Autofocus/Opslaan volledig in om een voorbeeld van een beeld weer te geven. Hierdoor wordt het voorbeeld getoond.
De handmatige aanpassingsmodus voor beelden is nu actief, en het statuspictogram
wordt weergegeven. Zie voor instructies over het aanpassen van beelden 14.5 Een infraroodbeeld aanpassen.
Om het beeld te bewerken, drukt u op de joystick. Er wordt nu een contextmenu geopend. Zie voor bewerkingsinstructies 14.4 Een opgeslagen beeld bewerken.
U hebt de volgende opties:
Volg deze procedure:
Open het beeld in het beeldarchief.
Druk op de joystick en selecteer
(Bewerking) in het menu.
De handmatige aanpassingsmodus voor beelden is nu actief, en het statuspictogram
wordt weergegeven. Zie voor instructies over het aanpassen van beelden 14.5 Een infraroodbeeld aanpassen.
Druk op de joystick. Er wordt nu een contextmenu geopend.
![]() Automatisch
|
![]() Handmatig
|
![]() Automatisch
|
![]() Handmatig
|
Volg deze procedure:
Druk in de livemodus op de knop
om de handmatige beeldinstelmodus te openen.
Om de minimum- en maximumlimiet van de temperatuurschaal tegelijkertijd te wijzigen, beweegt u de joystick omhoog/omlaag.
Om de minimum- of maximumlimiet van de temperatuurschaal te wijzigen, gaat u als volgt te werk:
(Optionele stap.) Druk in de voorbeeld-/bewerkingsmodus op de knop
voor het corrigeren van één beeld.
Volg deze procedure:
Druk op de joystick om het menusysteem weer te geven.
Gebruik de joystick om naar
(Instellingen) te gaan.
Druk op de joystick om het menu Instellingen weer te geven.
Selecteer Apparaatinstellingen en druk op de joystick.
Selecteer Camera-instellingen en druk op de joystick.
Selecteer Temperatuurbereik camera en druk op de joystick.
Selecteer het gewenste temperatuurbereik en druk op de joystick.