Volg deze procedure:
Druk op de joystick om het menusysteem weer te geven.
Gebruik de joystick om naar
(Meting) te gaan.
Druk op de joystick om een submenu weer te geven.
Druk op de joystick. Het meethulpmiddel of de groep van vooringestelde hulpmiddelen wordt op het scherm weergegeven.
Volg deze procedure:
Druk op de joystick om het menusysteem weer te geven.
Gebruik de joystick om naar
(Instellingen) te gaan.
Druk op de joystick om het menu Instellingen weer te geven.
Selecteer Gebruikersinstellingen definiëren en druk op de joystick.
Selecteer Gebruikersinstelling 1 definiëren of Gebruikersinstelling 2 definiëren en druk op de joystick. Er wordt nu een contextmenu geopend.
Selecteer
((Meting toevoegen).
Druk op de joystick. Hierna verschijnt een submenu.
Druk op de joystick. Hierna wordt het meethulpmiddel op het scherm weergegeven.
Druk op de joystick. Hierna wordt een contextmenu weergegeven waarin u één of meer van de volgende handelingen kunt selecteren (afhankelijk van het type hulpmiddel).
Selecteer nadat alle meethulpmiddelen zijn toegevoegd
(Opslaan als instelling).
Volg deze procedure:
Om het meethulpmiddel te selecteren, raakt u het aan op het scherm. Het hulpmiddel wordt nu weergegeven met één of meer grepen.
Meethulpmiddel voor punten: ![]()
Meethulpmiddel voor gebieden 
Druk op de joystick, of blijf het hulpmiddel enige tijd aanraken. Er wordt een contextmenu geopend.
Beweeg de joystick omhoog/omlaag en naar links/rechts om de afmetingen van het hulpmiddel te wijzigen of om het hulpmiddel te verplaatsen.
Druk daarna op de joystick en selecteer
(Gereed).
|
Objectafstand
|
1,0 m (3,3′)
|
|
Atmosferische temperatuur
|
20 °C
|
|
Relatieve luchtvochtigheid
|
50%
|
|
Gereflecteerde temperatuur
|
20 °C
|
|
Emissiegraad
|
0,95
|
Volg deze procedure:
Druk op de joystick om het menusysteem weer te geven.
Gebruik de joystick om naar
(Meetparameters) te gaan.
Druk op de joystick om een submenu weer te geven. Gebruik de joystick om één of meer van de globale objectparameters te selecteren:
Druk op de joystick om een dialoogvenster weer te geven.
Verander de parameter met de joystick.
Druk op de joystick. Hiermee sluit u het dialoogvenster.
Volg deze procedure:
Om het meethulpmiddel te selecteren, raakt u het aan op het scherm. Het hulpmiddel wordt nu weergegeven met één of meer grepen.
Druk op de joystick, of blijf het hulpmiddel enige tijd aanraken. Er wordt een contextmenu geopend.
Gebruik de joystick om naar
(Lokale parameters gebruiken) te gaan.
Druk op de joystick.
(pictogram met grijze indicator) wordt weergegeven.
Druk op de joystick om het gebruik van lokale parameters te activeren.
(pictogram met blauwe indicator) wordt samen met een submenu weergegeven.
Gebruik de joystick om een objectparameter te selecteren.
Druk op de joystick om een dialoogvenster weer te geven.
Verander de parameter met de joystick.
Druk op de joystick. Hiermee sluit u het dialoogvenster.
Druk daarna op de joystick en selecteer
(Gereed).
Volg deze procedure:
Om het meethulpmiddel te selecteren, raakt u het aan op het scherm. Het hulpmiddel wordt nu weergegeven met één of meer grepen.
Druk op de joystick, of blijf het hulpmiddel enige tijd aanraken. Er wordt een contextmenu geopend.
Gebruik de joystick om (afhankelijk van het hulpmiddel) naar
,
of
(Max/Min/Gem/Alarm) of (Grafiek/Max/Min/Gem/Alarm) te gaan.
Druk op de joystick. Hierna verschijnt een submenu.
Beweeg daarna de joystick omlaag om het submenu te sluiten.
Selecteer
(Gereed) en druk op de joystick.
Volg deze procedure:
Om een verschilberekening in te stellen, selecteert u
(Delta toevoegen).
Druk op de joystick. Hierna wordt een dialoogvenster weergegeven waarin u de meethulpmiddelen kunt selecteren die u in de verschilberekening wilt gebruiken. U kunt tevens een vaste-temperatuurreferentie selecteren.

Druk op de joystick. Het resultaat van de verschilberekening wordt nu op het scherm weergegeven.
Volg deze procedure:
Om het punt te selecteren, raakt u het aan op het scherm. Het hulpmiddel wordt nu weergegeven met een frame.
Druk op de joystick, of blijf het hulpmiddel enige tijd aanraken. Er wordt een contextmenu geopend.
Gebruik de joystick om naar
(Alarm instellen op punt) te gaan.
Druk op de joystick. Er verschijnt nu een dialoogvenster waarin u de instellingen voor het alarm kunt definiëren.
Druk op de joystick. Hiermee sluit u het dialoogvenster.
Druk op de joystick en selecteer
(Gereed).
Volg deze procedure:
Om het meethulpmiddel te selecteren, raakt u het aan op het scherm. Het hulpmiddel wordt nu weergegeven met één of meer grepen.
Druk op de joystick, of blijf het hulpmiddel enige tijd aanraken. Er wordt een contextmenu geopend.
Gebruik de joystick om (afhankelijk van het hulpmiddel) naar
,
of
(Max/Min/Gem/Alarm) of (Grafiek/Max/Min/Gem/Alarm) te gaan.
Druk op de joystick. Hierna verschijnt een submenu.
Selecteer
(Alarm instellen).
Druk op de joystick. Er verschijnt nu een dialoogvenster waarin u de instellingen voor het alarm kunt definiëren.
Druk op de joystick. Hiermee sluit u het dialoogvenster.
Druk op de joystick en selecteer
(Gereed).
Volg deze procedure:
Selecteer
(Meting toevoegen). Hierna verschijnt een submenu.
Selecteer
(Selecteer). Er wordt een dialoogvenster geopend.
Selecteer Delta. Hierna wordt een contextmenu weergegeven.
Gebruik de joystick om naar
(Alarm instellen op delta) te gaan.
Druk op de joystick. Er verschijnt nu een dialoogvenster waarin u de instellingen voor het alarm kunt definiëren.
Druk op de joystick. Hiermee sluit u het dialoogvenster.